Hertalen I

Oudere Nederlandse literatuur wordt steeds vaker hertaald, want hoe ouder de literatuur, hoe ontoegankelijker voor de lezer van nu. Zonder de uitleg en de vertaling van Frits van Oostrom zou ik Maerlant bijvoorbeeld niet kunnen lezen. P.C. Hooft gaat al beter: vaak moet een woord, zin of toespeling nog wel worden verklaard, maar in grote trekken zijn Hoofts teksten met wat inspanning goed te volgen.

30 augustus 2010

Achttiende-eeuwse literatuur vereist weliswaar enige kennis van de periode en het onderwerp, maar meestal is een enkele annotatie voldoende. Negentiende-eeuwse literatuur valt gewoon te genieten als die periode je belangstelling heeft, zéker die uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Je moet er natuurlijk wel van houden: het tempo ligt een stuk lager dan de eenentwintigste-eeuwse lezer gewend is, maar als je je normale hectiek een beetje kunt terugschroeven (bijvoorbeeld in de vakantie) kan zoiets weldadig zijn, en al te gedetailleerde beschrijvingen kun je eventueel diagonaal doornemen als je niet ambtshalve leest.

Dat geldt tenminste voor veel literatuurminnende mensen van mijn generatie en voor mijzelf, maar ik merk steeds vaker dat jongere collega’s en tekstredacteuren moeite hebben met oudere teksten, verouderd taalgebruik en begrippen uit de negentiende en vroege twintigste eeuw. Een geletterde negentiende-eeuwse briefschrijver sloot bijvoorbeeld een epistel aan een dierbare af met een frase als ‘veel goeds wens(ch)t u uw(e) u liefhebbende X’. Als ik een oudere of archaïserende tekst vertaal, neem ik zo’n gebruik over - en zie dan regelmatig dat een tekstredacteur/persklaarmaker in elk geval dat laatste ‘u’ eruit wil slopen en soms ook het eerste. Of een woord als ‘treeftje’ niet kent en het wil vervangen door iets eigentijdsers, ook als de auteur doelbewust zo’n woord heeft gebruikt voor een voorwerp dat in de meeste moderne huizen niet meer te vinden zal zijn. In zo’n geval hou ik mijn poot stijf, maar het geeft te denken. Moet ik dat wel blijven doen? Werkt het nog wel?

Steeds meer mensen lijken een negentiende- of achttiende-eeuwse tekst gewoon niet meer te kunnen of te willen lezen. Dat is niet zo heel nieuw: als puber was ik al een van de zeer weinigen in de klas die Wolff en Deken, Van Lennep, Hildebrand/Nicolaas Beets, Van Deyssel of Couperus voor mijn plezier las - maar laatst vernam ik van een jongere collega, die toch de middelbare school en het Instituut voor Vertaalwetenschap met goed gevolg heeft doorlopen, dat hij zelfs nog nooit van de Camera Obscura had gehóórd. Mijn kinderen hebben op de middelbare school ook zelden of nooit iets over literatuur van vóór, pak ’m beet, 1930 vernomen.

Voor basisschool- en middelbareschoolleerlingen en aankomende neerlandici worden dus Nederlandse klassieken hertaald in de hoop dat ze die dan wél gaan lezen, liefst met plezier. Ik heb veel interessants gelezen over de hertalingen van Multatuli’s Max Havelaar en Woutertje Pieterse door respectievelijk Gijsbert van Es en Ivo de Wijs. Zelf heb ik die hertalingen nog niet onder ogen gehad, maar wel de originelen, die ik nog steeds opvallend fris en leesbaar vind, vol subtiele humor en ironie. Zijn kinderen, pubers en adolescenten niet meer in staat de originele tekst tot zich te nemen? Komt dat doordat daar in het onderwijs nauwelijks meer aandacht aan wordt besteed of doordat mensen in de dagelijkse hectiek van nu geen tijd of geduld meer hebben voor een lange tekst vol details en beelden uit een vroegere eeuw? Ook ikzelf merk vaak dat oudere boeken en films me tegenwoordig te traag zijn, terwijl ik er in mijn puberteit en adolescentie, en ook later nog wel, enorm van heb genoten.

Al schrijvende merk ik dat ik een onderwerp heb aangesneden waarover nog heel wat te zeggen valt. Daarom volgende keer verder.

Gerda Baardman

Reacties: