Wolff en Deken begonnen hun loopbaan als schrijver weliswaar in de achttiende eeuw, maar hun leven besloeg ook een klein deel van de negentiende eeuw en de scheidslijn is hier redelijk vaag omdat ze in sommige opzichten hun tijd vooruit waren. Tijdens een bijeenkomst in Perdu in Amsterdam riep Mathijsen vertalers op zich ook met hertalen te gaan bezighouden omdat zij haar daarvoor bij uitstek geschikt leken. Zelf heeft ze lang en diep over deze materie nagedacht en haar ideeën neergelegd in een aantal interessante artikelen die Liesbeth en ik met belangstelling hebben gelezen.
Over hertalen heb ik sindsdien met veel collega’s gesproken. De een vond het noodzakelijk, de ander vond het voor bepaalde doelgroepen heel nuttig, weer anderen zagen er helemaal niets in. De vragen waren bij iedereen min of meer dezelfde: gaan de mensen die boeken dan ineens wél lezen? Hoe ver moet je gaan met dat hertalen? Moet je drastisch bekorten, moet je er een eigentijdse tekst van maken of laat je de couleur locale, de couleur de l’époque, zo veel mogelijk intact en beperk je je tot het moderniseren van de spelling, de interpunctie en de sterk verouderde woorden? Licht je bepaalde begrippen toe? En voor wie hertaal je eigenlijk? Voor vwo-leerlingen? Havo-leerlingen? Vmbo’ers? Letterenstudenten? Het grote publiek? Als je al die mensen wilt bereiken, moet je dan niet meerdere teksten maken? En hoe weet je wat zij níét weten, wat ze niet begrijpen of wat ze te traag of oninteressant vinden?
Omdat er van Sara Burgerhart al verschillende edities bestaan, besloten Liesbeth en ik tot de correspondentie. Een correspondentie is een bijzonder genre: in eerste instantie zijn de brieven doorgaans niet voor publicatie bedoeld, men schrijft naturel, onopgesmukt, over allerlei intieme details uit het eigen bestaan. De dames Wolff en Deken beleefden natuurlijk interessante tijden (de patriottische opstand, de Franse Revolutie), maar juist de persoonlijke details brengen hen zo tot leven. Bovendien geven ze een mooi tijdsbeeld.
Wolff en Deken verschilden sterk van karakter en achtergrond. De temperamentvolle, levendige Betje Bekker was opgegroeid als opvallend getalenteerd meisje uit de welgestelde Vlissingse elite, had in haar geboortestad op haar zeventiende een schandaal veroorzaakt door weg te lopen met een officier en was op haar eenentwintigste getrouwd met de dertig jaar oudere dominee Wolff. Met hem woonde ze in de Beemster, waar weinig te doen was; nog voor haar veertigste werd ze weduwe. De rustige, bescheiden Aagje bracht haar jeugd door in een weeshuis en trad na haar meerderjarigheid toe tot de doopsgezinde gemeente; ze had graag een gezin gehad, maar is nooit getrouwd. Betje had al veel gepubliceerd en las en vertaalde buitenlandse literatuur (Rousseau, Voltaire, Alexander Pope), Aagje las voornamelijk Nederlandse stichtelijke teksten en had ten tijde van haar kennismaking met Betje alleen in kleine kring roem geoogst met een bundel piëtistische gedichten. In eerste instantie stond ze zelfs enigszins gereserveerd tegenover Betje, die ze van reputatie kende als een dame met een erg grote mond, al ging het eerste contact van Aagje zelf uit.
Een van de eerste dingen die we ons afvroegen: moeten we uitleggen welke rol de godsdienst in die tijd speelde? Helemaal weglaten kunnen we de vele religieus getinte toespelingen en moralistische overdenkingen niet, want voor Wolff en Deken en hun vriendenkring waren ze belangrijk - Aagjes eerste brief bestaat er zelfs goeddeels uit - maar voor veel lezers van nu zullen ze niet of nauwelijks meer interessant zijn. Hoe lossen we dat op? Noten? Een voorwoord? Drastisch inkorten? Samenvatten? Herformuleren? En wat doen we met ‘mevrouw’, ‘mevr.’, ‘juffr.’, ‘mejuf(f)r.’ en dergelijke aanspreektitels - moderniseren we alles tot ‘mevrouw‘ of laten we verschillen in spelling, stand en burgerlijke staat intact?
Zo tobben we voort. Bovendien hebben we het allebei erg druk met onze vertalingen en ons werk voor de VertalersVakschool, dus erg ver zijn we nog niet gekomen. Moeten we doorgaan? Gaat het publiek deze brieven lezen als wij ze onder handen hebben genomen? We hopen van wel, want Wolff en Deken zijn bijzondere vrouwen, met wie we graag velen willen laten kennismaken.
Gerda Baardman
Reageren op deze column kan via de LinkedIn-groep van het ELV.



Reacties: