Nederlandse uitgevers zijn vaak huiverig voor Vlaamse uitdrukkingen, zinswendingen en woorden in vertalingen. ‘Maar Hugo Claus, Tom Lanoye, Erwin Mortier en Dimitri Verhulst lezen we hier juist graag, en die schrijven toch duidelijk Belgisch Nederlands,’ wierp iemand tegen. ‘Bij hen vinden we dat mooi, in hun boeken lees je woorden die we hier zelf nooit gebruiken maar die we wel begrijpen, en bijzondere zinnen die we zelf nooit zo zouden schrijven.’ ‘Ja, maar dan weet je van tevoren dat je een Vlaming gaat lezen,’ zei een ander, ‘en wie weet hoeveel Belgische dingen eruit geredigeerd zijn voordat het publiek zo’n tekst te zien krijgt. Die schrijvers zitten tenslotte meestal bij een Nederlandse uitgever.’ In de verfilming van De helaasheid der dingenwas zelfs even duidelijk herkenbaar het briefhoofd van Verhulsts Amsterdamse uitgever in beeld.
En het is raar, maar zelf vind ik het ook storend als ik in een vertaalde Amerikaanse roman lees over kinderen die ‘beginnen wenen’ of over iets waarover men ‘nog lang zal kunnen op café napraten’. Als ik zoiets daarentegen in een roman van een Belgische auteur tegenkom, vind ik het heel normaal. Dan hoor ik een verteller die met Vlaamse tongval een verhaal over Belgen vertelt. Omgekeerd storen veel Belgen zich aan woorden en uitdrukkingen in boeken die uitsluitend door Nederlanders worden gebruikt. Ook houdt men in België veel meer dan in Nederland vast aan het woordgeslacht. Een Nederlander refereert zonder blikken of blozen aan een tafel met ‘hij’ en ‘hem’, hetgeen een gruwel is in het oog des Vlamings. Al zal die dan weer niet over een tafel zeggen ‘hij verschoof haar’, maar ‘hij verschoof ze’. Want het is geen vrouw, maar een vrouwelijk voorwerp.
Ooit was ik mentor van een Vlaamse collega die voor een Nederlandse uitgever een Amerikaanse auteur vertaalde. Een goede vertaler en een geestige, erudiete man. Hij vertaalde al veel langer voor de Nederlandstalige Belgische markt operalibretti en cultuurhistorisch werk, maar hij wilde als literair vertaler aan de slag en als een Vlaming dat wil, is hij vrijwel uitsluitend op Nederlandse uitgevers aangewezen. Dat is niet eerlijk, maar Nederlandse lezers zijn nu eenmaal talrijker dan Nederlandstalige Belgische lezers en de meeste grote Nederlandse uitgevers zitten in de Randstad. Mijn Belgische collega en ik hebben eindeloze debatten gevoerd over een hond die een kleedje had ondergekotst - volgens hem kon een kleedje alleen een jurk zijn en alleen in gevallen van slordigheid of extreme excentriciteit van de eigenares op de vloer van de huiskamer liggen. ‘Maar hoe noemen jullie dan zo’n ding op de grond?’ vroeg ik. Dat kon van alles zijn, van mat tot vloerbedekking tot tapijt, alleen ‘kleed’ of ‘kleedje’ kon niet. Ook ‘vloerkleed’ niet - dat was helemáál raar. Grondjurk. Maar dit was geen tapijt, mat of vloerbedekking, het was een klein kléédje. Het kon (en moest) in de wasmachine. Ik weet niet meer wat het uiteindelijk is geworden, maar het was in elk geval een compromis waar we geen van beiden helemaal gelukkig mee waren, al sluit ik niet uit dat het geen lezer is opgevallen.
Mijn collega kon dus kiezen voor de praktische oplossing en zich tegen zijn gevoel in aan de Nederlandse norm conformeren, óf zijn taalgevoel volgen, met het risico dat hij in de persklaarfase alsnog bakzeil moest halen of, als hij aan zijn keuze vasthield, misschien nooit meer door deze Nederlandse uitgever zou worden gevraagd.
Dat probleem heeft zich tijdens die vertaling herhaaldelijk voorgedaan. Er waren zelfs passages die we voor een Nederlands publiek min of meer moesten ‘hertalen’, en als het geen Grote Kwesties waren, heeft hij uiteindelijk moegestreden het hoofd in de schoot gelegd, al verzette zijn taalgevoel zich nog zo hevig. De Belgische collega’s in mijn kennissenkring die voor Nederlandse uitgevers werken, zijn óf verregaand geassimileerd en wonen al jaren met een Nederlandse partner in Nederland, óf vertalen altijd in een duo met een Nederlander. Of allebei, want sommige uitgevers vertrouwen Belgische vertalers nooit helemaal, zelfs niet als die hier al jaren wonen en werken.
Er is een Belgische vertaalsite, Miles Taaldrop, die desgewenst elke dag een zin naar je mailbox stuurt met drie mogelijke fouten erin, waar je dan de echte fout uit moet vissen. Er staan vaak constructies in die je als Nederlander meteen als ‘Belgisch Nederlands’ herkent, en dat is dan ook altijd de ‘echte’ fout. ‘Iets wordt als fout beschouwd als het minstens in één taaladviesboek als fout of niet-standaardtaal wordt vermeld, ook al zijn andere auteurs het er niet mee eens’, luidt op deze site het criterium. Dan zijn dus alle gewestelijke uitdrukkingen fout en zit je als Randstedeling vrijwel altijd goed, tenzij ze algemene instinkers als ‘streepje-ja-of-nee’ in een zin verwerken. Noord-Nederlandse gewestelijkheden heb ik op die site tot dusver niet gezien.
In het recente verleden streefde men in België, net als elders in het Nederlandse taalgebied, naar een soort standaardtaal. Er werd in België veel naar Nederlandse tv-zenders gekeken en het Nederlands op de Belgische zenders gold in Nederland als zorgvuldiger en mooier dan dat op de Nederlandse tv. Nog steeds wordt het Groot Dictee meestal door een Vlaming gewonnen.
Nu er ook Belgische commerciële zenders zijn, kijkt men in België veel minder naar de Nederlandse tv. Bovendien verzetten Nederlandstalige Belgen zich steeds meer tegen de vanuit het Noorden opgelegde normen. Onlangs las ik een klacht van een Belgische toneelschool dat veel studenten er tegenwoordig vanwege de authenticiteit op staan alleen hun eigen regionale dialect te spreken, zodat ze soms ook voor Vlamingen uit andere regio’s onverstaanbaar zijn. Nederlandse films en series worden in België ondertiteld en vice versa, en op kinder-dvd’s kun je kiezen tussen Nederlandse en Vlaamse nasynchronisatie of ondertiteling.
In de Nederlandse bioscoop zie je vooral bij arthouse-films vaak dat de ondertiteling door een Belgische vertaler is verzorgd. Al na een paar titels stoten sommige mensen elkaar even aan: Belgisch! Maar doorgaans vindt men dat niet storend.
Toch ziet het ernaar uit dat het Vlaams en het Nederlands steeds verder uit elkaar groeien. Zullen we binnenkort vertalers Vlaams-Nederlands en Nederlands-Vlaams nodig hebben?
Gerda Baardman



Reacties: