Contact (1)
Contact met schrijvers, ik ben er geen fan van. En dan heb ik het over vragen voorleggen aan een auteur. Je wilt geen flater slaan, je moet opeens een zorgvuldige mail opstellen in een taal die je je toch nooit helemáál eigen zult maken, en je bent het aan je stand verplicht ook nog iets intelligents over het boek te zeggen, zonder overdreven kruiperig over te komen. Nee, als ik het even kan voorkomen...
10 juni 2009
Soms zou je trouwens wél contact willen, maar lukt het niet. Bij Douglas Coupland, van wie ik met Nan Lenders Jpod vertaalde, bleek het al onmogelijk een digitaal bestand van het boek te krijgen, wat nu juist zo handig zou zijn geweest omdat het boek vol typografische fratsen zat. Het getal pi tot twintig pagina’s achter de komma, met één verkeerd getal erin verborgen, dat gingen we echt niet overtikken. Lang leve de scanner! Een andere schrijver, Kenneth Cook, was al vijftien jaar dood, dus dat werd ook lastig.
Resteren de weinige schrijvers bij wie ik er niet onder uit kon. Mijn schroom bleek natuurlijk nergens voor nodig, de schrijvers die ik benaderd heb waren allemaal uiterst behulpzaam. Anya Ulinich hield het kort en bondig: ja, het stadje Asbestos 2 was volledig fictief en niet gebaseerd op de bestaande Russische stad. Helen Walsh is een leuke meid die twee jaar jonger is dan ik, en onze correspondentie werd al snel gezellig. Met Elisa Albert legde ik heel postmodern contact op Facebook, hoewel ik uiteindelijk geen vragen had. Ik zie zojuist dat ze me alweer uit haar vriendenlijst heeft geschrapt, hoewel ze nog 536 “vrienden” over heeft. Ik ben onsterfelijk beledigd.
Het leukste contact met een schrijver had ik met het boek dat ik net heb afgerond, The Other Hand van Chris Cleave, dat volgende week als Kleine Bij in de winkels ligt. Ik had eerder Incendiary van hem vertaald (Beste Osama in het Nederlands), maar daar had ik geen vragen bij gehad. Bij dit boek echter wel. Cleave begon zijn antwoord met een compliment over Beste Osama, dat hij weliswaar niet zelf kon lezen, maar vrienden van hem die dat wel konden waren er zeer over te spreken geweest. Hij kon direct al niet meer stuk bij me, dat snapt u. Vervolgens bood hij aan het hele manuscript nog eens door te lezen en overal te melden of ‘you’ wat hem betreft vertaald moest worden met ‘je’ of ‘jullie’ (beide waren verdedigbaar). En dat terwijl zijn vrouw elk moment kon bevallen van hun derde kind en hij stug doorschreef aan zijn columns voor The Guardian. Uiteindelijk was het hele boek doorploegen niet nodig, maar voor mij blijft hij een held. Aanstaande zondag hoop ik hem de hand te schudden. Een schrijver in levenden lijve ontmoeten, daar ben ik handiger in dan het voeren van digitale correspondentie. Een volgende keer meer daarover.
Dennis Keesmaat