Een drieste onderneming
Als je een buitenstaander vertelt dat je literair vertaler bent, vallen de reacties in grote trekken in twee categorieën uiteen.
04 februari 2010
Categorie A kijkt je jaloers aan. Goh, dus jij hoeft nooit door de regen naar kantoor? Je hoeft ’s morgens nooit ergens op tijd aanwezig te zijn? En als jij om twee uur denkt: het is mooi weer, ik ga vanavond wel verder maar nú ga ik naar buiten - dan kán dat gewoon, dat hoef je met niemand te overleggen? En je krijgt allemaal mooie, interessante boeken te lezen en daar word je nog voor betaald ook? Bofkont!
Categorie B schudt meewarig het hoofd. Ach, dus jij zit de hele dag alleen? En je moet altijd de zelfdiscipline opbrengen om jezelf aan het werk te schoppen, ook als je in een saai stuk zit waar geen eind aan komt? En je moet soms ook ’s avonds en in het weekend werken? En wat betaalt zoiets nou? Wát, zo weinig? Dus jullie hebben net zo lang gestudeerd als mijn accountant of mijn tandarts en jullie krijgen niet eens vakantiegeld, jullie worden niet eens doorbetaald als jullie ziek zijn? Heb je nou geen spijt dat je geen ander vak hebt geleerd?
Op dat laatste zeg ik dan bedremmeld dat ik eigenlijk al rond mijn vijftiende wist dat ik later wilde gaan vertalen.
Kennelijk was ik niet de enige. Toen ik na mijn eindexamen door de toelatingstoets van het toenmalige Instituut voor Vertaalkunde heen was gekomen - waarvoor een overweldigende belangstelling bleek te bestaan - en een gesprek met de indrukwekkende docente mevrouw Elte had, vroeg ze wat ik eigenlijk hoopte te leren en wat ik wilde gaan doen.
‘Boeken vertalen!’ antwoordde ik parmantig.
Ze schudde het wijze hoofd.
‘Ja,’ zei ze, ‘dát wil iedereen wel!’
Die gedachte was nog nooit bij me opgekomen. Er stond me dus zware concurrentie te wachten. Maar van wie dan? Ik kende maar een paar vertalers van naam (Ernst van Altena! Marko Fondse! Else Hoog!) en had er nog maar eentje ontmoet, een vriend van mijn ouders, meneer Romijn, die overdag geschiedenisleraar was en ’s avonds en in zijn vakanties Maigrets vertaalde. Waren er dan zóveel mensen die dit beroep ambieerden? Voor zover ik kon nagaan was het heel moeilijk en werd je er niet rijk of beroemd van, al was het - samen met muziek - wel het mooiste wat er bestond.
Al snel ontdekte ik dat het nog veel vreemder in elkaar zat. Er bleken een heleboel mensen te zijn die het niet als een echt vak beschouwden, maar als iets wat je ‘erbij’ deed als je een beetje belezen was, aardig je talen sprak en er niet van hoefde te leven. Een leuke bezigheid die heel presentabel was, een hobby met een cultureel tintje.
Maar dát was niet de bedoeling! Ik wilde het goed leren, ik wilde het fulltime gaan doen en ervan leven. Die knappe Van Altena, Fondse en Hoog waren toch niet zomaar voor de kat zijn viool bezig? Nou dan! Het kón toch?
Ja, het kon. Maar het zou een lange weg worden.
(wordt vervolgd)
Gerda Baardman