Lezing Kris Lauwerys

Kris_Lauwerys_Bauchau.jpgKris_Lauwerys_Rezzori.gif

Toen ik enkele maanden geleden de vraag kreeg of ik hier een praatje wilde komen houden, was ik wel even verbouwereerd. Zeg nu zelf: aan iemand die een mentoraat heeft gekregen vragen of-ie wil spreken opeen colloquium over ‘leren vertalen’... De kans is klein dat die ‘gementoreerde’ ten overstaan van driehonderd collega’s (en vooral, ten overstaan van zijn mentor) komt beweren dat het allemaal niets heeft opgeleverd. Dit belooft dus een weinig spannend verhaal te worden, want ik kom u hier vertellen dat het mentoraat inderdaad wat oplevert. Als u wilt weten wat, kunt u blijven zitten.
Ten overvloede: Een mentoraat is een individuele coaching van een niet zo ervaren vertaler door een heel ervaren vertaler, een man-op-manbehandeling dus, of man-op-vrouw, andere combinaties zijn mogelijk.

Ik ben 37 en moet door het leven als ‘de man die tot tweemaal toe gementoreerd werd’.
Zo, het is eruit.
Ik hoor u denken: O jee, was het dan zo erg?

Het wás erg. Ter illustratie (maar wie wil kan extra illustratiemateriaal krijgen): drie jaar geleden hield Arthur Langeveld hier een lezing over het vertalen van humor. Hij liet aan de hand van voorbeelden zien hoe humor onder andere verloren gaat door een uitleggerige vertaling: wie een mop uitlegt is niet grappig. Instemmend gemompel in de zaal, ook van mezelf. Toen wierp mijn mentor mij een vermanende blik toe. Ik begreep wat ze bedoelde: maar al te vaak had ik me aan een gelijksoortig ontrafelend, analytisch vertalen bezondigd. Zonden, beginnerszonden genoeg.

Maar ik loop vooruit op mijn verhaal. Ik heb zoals gezegd tot tweemaal toe een mentoraat gevraagd en gekregen. Het eerste voor Denkwürdigkeiten eines Antisemiten van Gregor von Rezzori, mentor Elly Schippers. Dat was mijn eerste romanvertaling. Het tweede voor Le boulevard périphérique van Henry Bauchau. Omdat ik overliep naar het Frans, meer nog, naar een fundamenteel andere schrijver; daarin stond Rokus Hofstede me bij.

Dat ik aan een eerste mentor ben gekomen, is te danken wijten aan een reeks toevalligheden. Ik had net zo goed een compleet ander traject kunnen volgen, het resultaat zou misschien hetzelfde zijn geweest. Maar het lot wilde het anders. Het lot wilde dat ik enkele jaren geleden Elly Schippers leerde kennen. Over haar kan ik veel vertellen, dat kunt u binnenkort nalezen in mijn autobiografie Pimpelen met Elly.
Toen Atlas me in 2006 belde voor een opdracht, Memoires van een antisemiet, een boek dat ik bewonderde en vreesde vanwege de torenhoge vertaalmoeilijkheden, dacht ik aan het mentoraatprogramma van het Steunpunt Literair Vertalen en aan die eerdere ontmoeting: Elly Schippers zou anderhalf jaar lang mijn meesteres worden.

De vertaalmoeilijkheden van de Memoires waren niet te overzien, het boek was, dixit Elly zelf, ‘walgelijk moeilijk’, (zo werden syntactische en morfologische mogelijkheden van het Duits tot het uiterste opgerekt, zoals in ‘mückendurchtanzte Wäldereinsamkeit’, om maar iets te noemen); het was in feite te moeilijk voor een debuut. Maar, dat hoopten we, ideaal voor een gementoréérd debuut. De vraag was: kon mijn Nederlands op tegen die overdadige taalrijkdom van Rezzori. Het antwoord was in eerste instantie: nee. Mijn kopij keerde steevast terug vol bloedrode inktsporen, alsof mijn vertaling terecht was gekomen in een roedel uitgehongerde wolven. De enige troost die ik had was dat ze zei dat ook de vertalingen van haar vaste partner fel verbeterd retour gingen.
Daarbij werd ik gewezen op onhebbelijkheden: parafraserend vertalen (omschrijven ipv vertalen), analytisch vertalen (gebalde formuleringen ‘ontrafelend’ vertalen, iemand die een mop uitlegt is niet grappig), slordigheid, Vlaamsigheden. Rode draad in al die correcties was: doe met het minimale het maximale. Elly heeft me leren slowen: op de oppervlakte van één dansvloertegel toch inventief en origineel uit de hoek komen.
Louter correctief ingrijpen was niet noodzakelijk efficiënt en misschien onvoldoende. Naast mijn talrijke tekortkomingen - dit begint hier stilaan op een openbare boetedoening te lijken! - rezen er twijfels over mijn werkwijze. Mijn Nederlandse tekst week steevast merkwaardig af van het Duits. Goed geschreven, slecht vertaald. Waar lag het probleem? In het vertalen of in het reviseren? Het zette mijn meesteres er toe aan al vroeg experimenten met me uit te halen. Ik kreeg de vraag om een vertaald stukje na slechts één revisie bij haar in te leveren. Een geruststelling: het grote probleem zat niet in de vertaalslag zelf, maar wel degelijk in het al te vrijelijk reviseren.
Op termijn werkt die bijsturing van aanpak, van strategie dus, het langst na. Als we ons dus de vraag stellen: kan het mentoraat je iets leren (iets wat het grammaticale en lexicale overstijgt), dan is het antwoord: ja, op strategisch vlak.

En dan hebben we het nog niet gehad over de psychologische kant van de zaak. Dat vertalers gebroken ruggen en ontstoken polsen hebben is algemeen bekend; minder bekend bij het grote publiek is dat het pathologische twijfelaars zijn. Ik zeg weleens tegen mijn studenten: als je als vertaler niet fundamenteel en voortdurend twijfelt, kun je het maar beter laten. Dat is eigenlijk een goede raad die ik van Elly kreeg. Zij leerde me de nodige scepsis tegenover mezelf in te bouwen.
Ik ben iemand die de neiging heeft om snel tevreden te zijn, om blijgemoed achterover te leunen en mezelf op een glaasje wijn te trakteren. Een passage uit Faust van Ard Posthuma (en ook een beetje van Goethe) weet de zaak nog het best te treffen: Faust beseft namelijk: ‘Als ik mij ooit verzadigd op mijn bed laat vallen, dan is mijn nederlaag een feit’.
Maar, zo valt ook te lezen:

‘De mens vergeet te snel dat hij actief moet blijven
en neigt tot vadsigheid, van lieverlee,
daarom geef ik hem graag een plaaggeest mee
om hem te prikkelen en aan te drijven.’

Net dat laatste is de definitie van de ideale mentor: ‘een plaaggeest die prikkelt en aandrijft.’
Een mentoraat is ook alles onthullend: je gaat met de billen bloot en een onverbiddelijke mentor kerft er, net als in In de strafkolonie van Kafka, het vonnis met rode pen in. Ofwel bezwijk je en hou je ermee op. Ofwel ga je door, gehard. Voor u staat een man van staal.

Dat ik aan een tweede mentor kwam, was te danken aan een nieuwe reeks toevalligheden. Op de Vertaaldagen (editie 2004) leerde ik een beminnelijk man kennen: Rokus Hofstede. Over hem kan ik veel vertellen, maar wie A zegt hoeft niet noodzakelijk B te zeggen.
Een jaar later was hij zo goed om een tijdschriftvertaling van mijn hand kritisch te bekijken. En toen ik vorig jaar de opdracht binnenhaalde om Le boulevard périphérique van Henry Bauchau te vertalen, herinnerde ik me dat het Expertisecentrum de individuele coaching wilde uitbreiden. Ik belde met Rokus, die het boek had gelezen, en me graag wilde bijstaan. Le boulevard périphérique was mijn vierde romanvertaling, en meer dan de verandering van taal - ik werk al meer dan een decennium in een Waalse provinciestad - was het de verandering van auteur die me zorgen baarde. Van exuberant alle registers bespelen naar sobere, heldere zinnen, die met veel aandacht voor klank (de auteur ziet zichzelf vooral als een dichter) waren gecomponeerd. Om nog maar te zwijgen van bepaalde ronduit cryptische passages.

Ik was geen beginner meer, dus werd afgesproken dat Rokus alleen de eerste vier hoofdstukken met het Frans ernaast zou bekijken en voor de rest alleen het Nederlands bij zou sturen. In zekere zin kon hij voortbouwen op het ontzaglijke werk van Elly, kon hij zich voluit bezighouden met subtiliteiten en nuances. Zijn suggesties gingen dan ook over het ritme, over de juiste nadruk, over al dan niet bewuste herhalingen, over register. Rokus moest minder corrigeren, kon meer suggereren. Daardoor ontstond als vanzelf een andere relatie. Ook hij was, om met Henry Bauchau te spreken ‘een strenge meester, die me niet ontzag, die me op mijn fouten wees.’ Maar hij kon daarnaast ‘een meester zijn die me als een gelijke behandelde’. Vaak heette het: ‘ik zou het anders hebben vertaald, maar jij bent de kapitein.’ Of: ‘het is een woord dat ik niet zou hebben gekozen, maar het is jouw vertaling.’
Het was Rokus die op het idee kwam om een week in het vertalershuis in Arles te gaan zitten sleutelen aan de laatste vertaalkwesties en om daar af te spreken met Henry Bauchaus vaste redacteur bij Actes Sud, Bertrand Py.
In het vertalershuis van Arles staat een pingpongtafel. En zo pittig onze wedstrijden waren, zo eendrachtig werd er daarna aan Le Boulevard périphérique gewerkt. Hoe dat ging? De Nederlandse tekst was er, gereviseerd door Rokus. Alle suggesties werden nu op hun waarde getoetst. Soms kwamen we daarbij tot een derde of vierde of vijfde oplossing: het was een soort mentale pingpong, waarbij veel aandacht werd besteed aan vormkwesties, aan de manifest poëtische klank van Bauchaus proza.

Voor u staat een Vlaming en hier en daar zit iemand zich wellicht af te vragen: is dat mentoraat niet een soort snelcursus grachtennederlands voor die gezelligerds uit het Zuiden?
Tot nu toe, zo meldt het ELV, zijn er 95 mentoraten geweest, in en uit het Nederlands. Daarvan ongeveer 10 Vlamingen - dat is disproportioneel weinig. Je zou kunnen afleiden dat er maar weinig aanvragen komen uit Vlaanderen, omdat jonge Vlaamse vertalers niet aan opdrachten komen - een vicieuze cirkel dus. De drempel - het is intussen een cliché geworden - ligt voor Vlaamse vertalers hoger dan voor Nederlandse.
Was het mentoraat voor mij een inburgeringscursus? Nee. Terugkijkend kan ik zeggen dat mijn zogeheten ‘Vlaams’ niet mijn grootste zwakte was, ik had andere zwaktes, die meer aandacht vroegen. Aangekomen in het tweede mentoraat, lagen de zaken anders: mijn Nederlands was sterker geworden, én: het boek speelt zich ten dele in België af. Zoals uitgever Harold Polis bij het begin zei: ‘Dit is een Belgische schrijver, die moet ook vertaald worden door een Belg.’ Met Rokus is uitvoerig overleg gepleegd over een licht Belgische grondtoon voor de passages die zich in België afspelen. Voor één keer bleek mijn afkomst mij uitstekend van pas te komen. Een woord als ‘kasseiweg’, waar menig redacteur groen van uitslaat, vonden we, moest kunnen. Citaten als ‘hij heeft een boontje voor haar’ en ‘het is maar een kleine garnaal’ zorgden voor extra reliëf. Die Hofsteedse tolerantie, ja zelfs aanmoediging, heeft in ieder geval mijn zelfvertrouwen gesterkt. En mijn overtuiging dat ik voortaan, uitgaand van mijn eigen kracht en met de nodige argumenten, de discussie met al te huiverige redacteurs moet aangaan.

Hoe dan ook: uit de dialogerende vorm die het tweede mentoraat kon aannemen won ik een hernieuwd zelfvertrouwen. En ook -in de geest van Rokus - raakte ik er meer dan ooit van overtuigd niet op voorhand al te veel concessies te doen aan de gemiddelde smaak. Bauchaus poëtische toon, zijn soms dwarse zinsbouw, zijn soms moeilijk te doorgronden passages zijn niet afgevlakt, maar zo veel mogelijk in ere gelaten.

Wat heb ik dus geleerd: hoofdzakelijk dit
Mij werd dus in de loop van deze mentoraten getrouwheid geleerd. Mij werd vertalersdurf geleerd.

Hier en daar zit wellicht iemand op zijn stoel te schuifelen en vraagt zich af: allemaal goed en wel, maar was dat tweede mentoraat niet gewoon een door de staat betaalde tweede - Nederlandse -lezer?
Twee antwoorden: ten eerste: het ontbreekt me niet aan Hollandse collega’s die ik bereid zou kunnen vinden mijn vertaling na te lezen (mijn reputatie als kok en bon vivant wil weleens overtuigen). Ten tweede: het mentoraat is een soort middeleeuws corporatistisch systeem van kennisoverdracht. In een uiterst moeilijke job als die van literair vertaler lijkt het mij evident dat men die kennisoverdracht stimuleert. Rokus heb ik niet alleen gevraagd omdat zíjn reputatie als bon vivant buiten kijf staat, maar omdat hij als vertaler bekendstaat als ‘de man van de dwarse, veeleisende boeken’.
Het Expertisecentrum is overigens doordrongen van de idee dat kennis voorhanden is en ziet zichzelf als een glijmiddel voor de overdracht ervan. Naar ik begrijp voorzien ze nu ook in korte mentoraten, niet voor debutanten, maar voor ‘gewone’ vertalers die specifieke vertaalmoeilijkheden tegenkomen. Maar daar kunnen ze het beste zelf over vertellen, natuurlijk.

Elly Schippers en Rokus Hofstede, hun naam weze ten eeuwigen dage geprezen, zijn twee heel verschillende mentoren, dat had u al begrepen. Elly was gedwongen om corrigerend op te treden en deed dat met grote tref- en zelfzekerheid. Rokus is meer zo’n suggestief type, als ik me zo mag uitdrukken. Maar misschien is het beeld dat ik hier van hen ophang vertekend: zoals gezegd moest er bij mijn eerste roman veel meer corrigerend worden opgetreden dan bij mijn vierde.
In mijn geval kon de volgorde Elly en dan Rokus niet idealer zijn. Dat is te danken aan toeval, en het is misschien een tip van het Expertisecentrum om goed te letten bij het toewijzen (aanvaarden) van mentoren bij bepaalde projecten op hun pedagogische aanpak en op de aard van het werk dat moet worden vertaald.

Een andere tip voor het Expertisecentrum: actief jong talent scouten, en met name Vlaamse talenten zoeken, bij de schoolpoorten, bij het Vlaams Fonds, in literaire tijdschriften; en deze mensen bij de uitgevers aanprijzen. Waarom niet in koppelverkoop: vertaler-mentor.

A propos verkoop: mentoren hebben, zo blijkt, ook een dienst naverkoop, of aftersales in ‘goed Nederlands’:
Elly was wel heel opgetogen dat haar twee kindertjes het met elkaar gingen doen. Voor mijn tweede roman van Rezzori heb ik samengewerkt met nog een pupil van haar, Goverdien Hauth-Grubben. Het leverde een prachtig kleinkind op voor Elly. En Rokus, die wilde actief betrokken worden bij de organisatie van een prachtige boekvoorstelling in het najaar in Brussel.

Kris Lauwerys
12 september 2009