Dossier: verhalend proza vertalen

Geplaatst op: 16 september 2020

In dit Kennisbankdossier vind je een verzameling beschouwingen over het vertalen van verhalend proza. Zo krijg je een indruk van wat er geschreven is door deskundigen over verschillende aspecten van het vertalen van dit genre. Het dossier vormt een startpunt om jezelf verder te verdiepen in die aspecten die jouw interesse hebben.

Opmerkelijk genoeg wordt fiction in John Laver en Ian Masons A Dictionary of Translation and Interpreting (link) alleen genoemd onder het lemma fabula: ‘[I]n narratology, the “story” contained in the text, as opposed to the way the story is structured or organised. In the case of translated fiction, readers (are encouraged to) entertain the illusion that the narrator of the “fabula” is the original author, rather than the translator (who actually organises the text).’ De vetgemaakte woorden maken duidelijk wat bij het vertalen van verhalend proza centraal staat: het zo overtuigend mogelijk over het voetlicht brengen van wat de brontekst over het voetlicht wil brengen, opdat de illusie dat de tekst in de doeltaal werd geschreven, standhoudt. Anders gezegd, lezer en vertaler maken stilzwijgend de denkbeeldige afspraak dat de vertaler de oorspronkelijke auteur is.

‘Schrijven als een ander’, wordt dat ook wel genoemd. Vertaler en hoogleraar Spaanse taal en cultuur Maarten Steenmeijer publiceerde onder die titel in 2015 een belangrijke studie over literair vertalen. Centraal in Steenmeijers optiek staat de opdracht van de vertaler van literair proza om de ‘talige persoonlijkheid’ van de schrijver te ontdekken en ‘in al haar eigenheid en eigenaardigheden [te] leren kennen en doorgronden’. Het doel van die opdracht is dat de schrijver ‘een stem in het Nederlands’ wordt gegeven. ‘Die stem is méér dan de toon, tempo, klankkleur, en bereik; zij is ook een manier van denken en voelen, een visie op de wereld, een levensgevoel, een gemoedstoestand’. Van de vertaling mag de lezer hetzelfde verwachten als van de oorspronkelijke tekst, zegt Steenmeijer, én: je hebt niet per se het origineel nodig om vast te kunnen stellen of de vertaling kan functioneren als een ‘soevereine tekst’ (13).

Ook de relatie tussen vertaler en origineel vangt Steenmeijer onder het begrip ‘verlangen’, namelijk: ‘Vertaalverlangen: het is een mooie term voor de band die een vertaler met het origineel zou moeten hebben. Hij wil, net als een scrhijver, een tekst maken die nog niet bestaat in zijn taal, maar die hij al wel voelt kloppen in zijn hoofd en in zijn hart. Dat verlangen is is misschien geen garantie, maar wel een voorwaarde voor een goede tekst’ (77). Halverwege zijn boek, relativeert (of compliceert) Steenmeijer de titel van zijn werk. Hij citeert de vertaler Gergory Rabassa – ‘So the poor translator must not just go back and forth between two languages, but if he is worthy of his calling must shift between two selves, with all the perils of this induced schizophrenia’ – om dan te concluderen: ‘De vertaler schrijft als een ander, maar ook als zichzelf. Ga er maar aan staan’ (99).

De mate van ‘(on)zichtbaarheid’ (schrijven als een ander / schrijven als zichzelf) van de vertaler is afhankelijk van veel factoren. Vertaaltradities in een bepaald taal- of cultuurgebied spelen een rol, persoonlijke voorkeur van de vertaler, aard van de brontekst en mate van canonisering van de bronauteur of -tekst. De discussies in hoeverre de brontaal of -tekst ‘zichtbaar’ mag zijn in de vertaling kunnen vaak hoog oplopen, zeker waar het (her)vertalingen van klassiekers betreft. Een mooi voorbeeld hiervan speelde zich af in tijdschrift Filter, waar dichter en vertaler Hans van Pinxteren een lans brak voor het ‘opfrissen’ van Balzac in zijn nieuwe vertaling. Dit kwam hem op een reprimande te staan van Guy Rooryck, die het (simplistische, maar provocatieve) standpunt huldigde: ‘Als ik Balzac lees, wil ik Balzac lezen en niet Van Pinxteren.’

In eerste instantie is een vertaler veelal gericht op het realiseren van de illusie dat de vertaling, hoezeer de lezer zich ook bewust is van het feit dat hij of zij een vertaling leest, de plaats van de brontekst inneemt. Daarbij dient rekening te worden gehouden met vele factoren. Die factoren bevinden zich, als we de indeling van universitair docent vertaalwetenschap en literatuur Stella Linn uit haar hoofdstuk ‘Vertaaltransformaties’ uit Alles verandert altijd. Perspectieven op literair vertalen volgen, op microniveau (woord), mesoniveau (zinsdelen en zinnen) en macroniveau (de tekst als geheel). Al die niveaus zijn uiteraard niet los van elkaar te zien. Linn behandelt de niveaus in de volgorde micro-meso-macro, maar het is niet vanzelfsprekend dat dat bij het formuleren van een vertaalstrategie de meest wenselijke volgorde is. Een analyse van de tekst als geheel (dus op macroniveau) op vertaalrelevante factoren kan belangrijke ideeën genereren over de meest wenselijke beslissingen die op ‘lagere’ niveaus worden genomen.

Linns hoofdstuk vormt een goede inleiding op hoe je een globale vertaalstrategie kunt formuleren ‘aan de hand van vragen als: welk publiek staat je voor ogen, welk kennisniveau kun je verwachten, in hoeverre wil je een specifieke socioculturele context behouden?’ Haar uitgangspunt is dat alle vertaalhandelingen ‘transformaties’ zijn. Na het schetsen van preliminaire overwegingen die tot een algemene vertaalstrategie moeten leiden, behandelt Linn deze transformaties, als gezegd, van micro- naar macroniveau.

Enigszins schematisch ziet Linns aanpak er als volgt uit: op woordniveau moet rekening worden gehouden met ‘valse vrienden’, denotatie en connotatie van realia en de pragmatische overwegingen die aan keuzes als bijvoorbeeld handhaven of toelichten, veralgemeniseren, weglaten of expliciteren ten grondslag liggen. Op niveau van zinsdeel en zin moet gekeken worden naar de mate van transpositie en modulatie, herschikken van woordvolgorde, vereenvoudigen en splitsen, het maken van aanpassingen. Op tekstniveau gaat het om het specifieke taalgebruik: overwegingen moeten gemaakt worden over exotiseren en vervlakken of neutraliseren, vervangen, naturaliseren, expliciteren, steeds met oog voor connotaties. Linn besteedt ook veel aandacht aan symbolen: ‘die kunnen bijvoorbeeld een bepaalde evocatieve waarde hebben die verloren gaat als je ze “invult” door een expliciterende vertaling.’

Linn besteedt ten slotte aandacht aan stijl en de gevaren van ‘stilistische vervlakking’:

"Om de stilistische vervlakking die in vertalingen kan optreden tegen te gaan kun je ook – gedoseerd – strooien met taalgebonden idiomatische kenmerken, die doorgaans dus niet gemotiveerd worden door de brontekst. Denk voor het Nederlands bijvoorbeeld aan het gebruik van ‘er’ ter aankondiging van het onderwerp: ‘Er komt iemand aan’, modale partikels zoals ‘wel’ of ‘even’ en, vooral in een informeel register, verkleinwoorden (‘lekker weertje!’)."

De voorbeelden die Linn hier noemt zijn bij uitstek middelen die de vertaler ‘zichtbaar’ maken: kenmerken uit de doeltaal worden expliciet ingezet om ‘stilistische vervlakking’ tegen te gaan. Paradoxaal genoeg is het effect van deze middelen juist dat, binnen de illusie waarover lezer en vertaler die eerder genoemde afspraak maakten, brontekst én vertaler onzichtbaar worden – tenzij de vertaler gebruik maakt van doeltaaleigen middelen die de lezer niet accepteert, bijvoorbeeld een zeer prozaïsche stijl terwijl de lezer een zeer poëtische stijl verwacht.

Aan het eind van zijn inleidende hoofdstuk vestigt Maarten Steenmeijer de aandacht op het element stijl. Als er in een tekst, vertaald of niet, met grote regelmaat kuilen en bobbels voorkomen, dan wordt het ritme ontregeld en raakte de tekst van de wijs. De oneffenheden tasten de stijl aan en trekken op een negatieve manier aandacht. En dat gebeurt, zo is mijn ervaring, in vertalingen veel vaker dan in oorspronkelijk in het Nederlands geschreven literatuur. Vertalingen degraderen zichzelf hierdoor tot tweederangsteksten in de Republiek der Letteren. Hoe komt dat? Worden vertalers minder goed begeleid bij de redactie van hun teksten dan schrijvers? Zou kunnen. Maar het zou wellicht helpen als vertalers van literatuur zich meer om stijl zouden bekommeren. Stijl onderscheidt literaire teksten van andere teksten en vormt daarom ook de essentie van literair vertalen (18).

Het vertalen van stijl is misschien de moeilijkste opdracht voor een vertaler van verhalend proza. Een uitstekende inleiding in de finesses ervan is Cees Kosters artikel ‘Alles verandert altijd (en blijft ook hetzelfde)’. Daarin bespreekt hij het door Leech en Short ontwikkelde model van monisme (stijl en inhoud zijn altijd één), dualisme (stijl en inhoud staan los van elkaar) en pluralisme (stijl is een keuze die wordt gemaakt met een bepaald doel voor ogen). Hij illustreert de vertaalimplicaties van dat model vervolgens met behulp van slechts één zinnetje (‘Everything changes’) uit het kortverhaal ‘Eveline’ van James Joyce. Koster laat zien dat een simpele idiomatische ingreep, waarbij een tijdsaanduiding aan de meest voor de hand liggende vertaling wordt toegevoegd (‘Alles verandert altijd’), ervoor kan zorgen dat de contextuele subtiliteit van dat simpele zinnetje volwaardig overkomt.

Ook neerlandicus en vertaler Franco Paris benadrukt in zijn hoofdstuk ‘Het vertalen van narratief proza’ in Alles verandert altijd dat het vertalen van stijl centraal staat in het vertalen van literair proza én dat een geslaagde vertaling het resultaat is van een ingewikkelde zoektocht, van geven en nemen, van laveren tussen zichtbaarheid en onzichtbaarheid:

"De zaak is om alle nuances aan te kunnen voelen. Het is een kunst om niet in de valkuil te stappen van een te trouw blijven aan de structuur van de brontekst, maar het is even verkeerd om in de tegenovergestelde valkuil te vallen van een te dichterlijke herschepping. De uiteindelijke vraag is: is de definitieve versie – indien die bestaat – als het resultaat van ontelbare keuzes en van een individuele winst- en verliesrekening wel enigszins acceptabel?" (153-54)

In zijn bespreking van vertalingen van Frederik van Eeden en Maurice Gilliams komt de bijzondere stijl - en de wisselwerking tussen stijl en de beleving van een gebeurtenis door een personage: stijl is functioneel – nadrukkelijk aan de orde. Paris bespreekt de bijzondere rol van bijvoeglijke naamwoorden en register en de specifieke en uiteenlopende nuances die de vertaalkeuzes doen ontstaan.

Tot slot vier observaties van Steenmeijer, die de problematiek van het vertalen van literair proza samenvatten en die een coach, mentor of docent vertalen handvatten geven om vertalingen te bespreken:

  • Een vertaler valt niet samen met de stem of de stijl van de ander, maar ook niet met die van hemzelf. Hij waart rond in het schemergebied tussen deze twee polen. Hij is een hybridische schrijver, die schrijft als een ander maar ook als zichzelf.
  • Zijn vertalingen […] vallen niet samen met het origineel, maar staan daar ook niet los van. Ze zijn soeverein maar niet onafhankelijk. […] Een roman is geen representatie van de werkelijkheid, maar vormt een soevereine wereld die afhankelijk is van (of samenhangt met) de echte wereld. […] een vertaling wil […] echt lijken en is dat ook in de beleving van de lezer.
  • ‘Vertalen is verzinnen wat er staat.’ (Harrie Lemmens) Je zou daarom kunnen zeggen dat equivalentie tussen origineel en vertaling wel degelijk bestaat, net als er equivalentie bestaat tussen de echte wereld en en de werelden die we beleven als we een roman lezen of een film zien: als illusie. Een illusie die we delen. Een sociale illusie dus.
  • Een vertaler is een dubbele schrijver. Hij is gebonden aan zijn eigen stem, maar hij blijft niet, zoals een ‘gewone’ schrijver, binnen de grenzen van zijn eigen stem. Hij waart rond in de schemerzone tussen zijn eigen stem en die van de schrijver. (87-88)