Vertaaltransformaties

Voordat je als vertaler specifieke procedés gaat toepassen is het zinvol eerst na te denken over een globale vertaalstrategie aan de hand van vragen als: welk publiek staat je voor ogen, welk kennisniveau kun je verwachten, in hoeverre wil je een specifieke socioculturele context behouden?

 1. Preliminaire overwegingen 

Voordat je als vertaler specifieke procedés gaat toepassen is het zinvol eerst na te denken over een globale vertaalstrategie aan de hand van vragen als: welk publiek staat je voor ogen, welk kennisniveau kun je verwachten, in hoeverre wil je een specifieke socioculturele context behouden? Dit speelt in het bijzonder bij kinder- en jeugdboeken, waarin soms een complete setting wordt overgeheveld naar de doelcultuur: een naturaliserende strategie.Ook intertekstuele verwijzingen kunnen voor keuzestress zorgen.Deze komen niet alleen voor in ‘hoge’ literatuur; zo worden in Franse jeugdromans waarin personages straattaal spreken geregeld ook gecanoniseerde dichters als Victor Hugo en Verlaine geciteerd (Linn 2014a: 68). Is het in zo’n geval goed om de verwijzingen via voetnoten of in een voorwoord te verklaren? Dat hangt onder meer af van je inschatting van het lezerspubliek en de wensen van de uitgever. Ook andere tekstoverstijgende eisen kunnen je vertaalstrategie sturen. Wordt de vertaling bijvoorbeeld gepubliceerd in een bepaalde reeks? Voor een educatieve uitgave zal op een aantal punten een andere keuze gewenst zijn dan wanneer de doeltekst voor een serie als ‘Russische pareltjes uit de romantiek’ bestemd is. 

Macrotekstuele vertaalproblemen hebben vaak te maken met sociale normen, zoals verschillen in tolerantie ten opzichte van een taalfenomeen. Zo zijn schrijvers in Romaanse talen, en dat geldt ook wel voor het Engels, gewend om zich met meer retoriek en op een abstracter niveau uit te drukken dan Nederlanders (Linn & Molendijk 2010: 15-25, Claes 2017: 67). Een bepaalde mate van formele vereenvoudiging of concretisering van elementen uit de brontekst kan dan ook relevant of zelfs nodig zijn. (Vlamingen zijn wellicht wat meer gewend aan de Franse stilistische conventies; voor vertalers uit Vlaanderen geldt dit dan alleen als zij hun werk in Nederland willen publiceren.) Reproductie van alle retorische middelen zou namelijk een schijnbaar equivalente, maar verhoudingsgewijs topzware doeltekst opleveren. Een voorbeeld hiervan in het klein zien we in de ‘Romance de la Guardia Civil española’ van de Spaanse dichter Federico García Lorca. Hierin wordt een dreigend beeld opgeroepen van de militaire politie die ’s nachts te paard langsrijdt: (...) y ocultan en la cabeza / una vaga astronomía / de pistolas inconcretas (García Lorca 1996: 441). Bedoeld wordt niet dat de politieagenten in hun hoofd een theoretische studie van de sterren verbergen, maar een sterrenconstellatie aan schimmige pistolen, een niveau concreter dus. Andersom kan een Franse, Spaanse of Italiaanse versie van een Nederlandse brontekst vaak wat retorische aankleding gebruiken om te voorkomen dat deze al te simpel overkomt. Een apart probleem doet zich voor in het geval van contraintes, formele eisen die je opties in de hele doeltekst kunnen inperken of bepalen. Denk bijvoorbeeld aan een gedicht waarin slechts één klinker voorkomt (de ‘o’ in Vitalski’s ‘Hotdogoorlog’), of een graphic novel die maar beperkte tekstruimte biedt. 

Reflectie op de initiële strategie is dan ook zinvol voordat je vertaalprocedés op een lager niveau gaat selecteren. Hieronder bespreken we een aantal frequente procedés die van microniveau (term, zinsdeel) naar macroniveau (de tekst als geheel) gaan. Houd er rekening mee dat een bepaald verschijnsel dat zich op lokaal niveau manifesteert verder reikende consequenties kan hebben. 

2. Woordniveau 

Op lokaal niveau moet je je allereerst bewust zijn van valse vrienden, woorden die bedrieglijk veel op elkaar lijken maar een geheel of gedeeltelijk andere betekenis hebben. Zo is de Duitse See in het Nederlands een meer en slaat das Meer juist op de zee. Het Spaanse colegio is in onderwijsland geen college van universitair niveau maar een basisschool (of lagere school), terwijl het Franse collège min of meer overeenkomt met de onderbouw van de Nederlandse middelbare school (in België zit het onderwijs iets anders in elkaar). Het vervolg hierop is het lycée, opnieuw een faux ami want dit heeft niet per se een vwo-niveau zoals het lyceum. Verder is het hierbij handig te weten dat in het Franse schoolsysteem van achteren naar voren wordt geteld. Als Wikipedia over de film Stella (Sylvie Verheyde 2008) vermeldt dat de elfjarige hoofdpersoon ‘een nieuw schooljaar in de zesde klas op een chic lyceum [begint]’ moet er dan ook een belletje gaan rinkelen: we hebben hier niet te maken met een genie maar met een doorsnee leerling die naar de brugklas (sixième) gaat. 

Hiermee zijn we aangeland bij de realia, cultuurspecifieke begrippen die een beroep doen op impliciete kennis en daarom vaak een vertaalprobleem vormen.De meest voorkomende vertaalopties hiervoor zijn: handhaving van het begrip, al dan niet met een toelichting in de lopende tekst of eventueel een voetnoot, gebruik van een hyperoniem of algemener begrip, vervanging door een concept met een vergelijkbare functie in de doelcultuur of – als het niet anders kan – weglating. Soms is een aanpassing in de schrijfwijze nodig: Den Haag wordt in het Italiaans L’Aia, het Frans La Haye en in het Engels The Hague genoemd. Voor het omgaan met realia zijn goede zoekvaardigheden en een brede kennis van de broncultuur noodzakelijk. Zo kun je de lezer van een uit het Spaans vertaalde roman er subtiel op attenderen dat de namen PacoCurro en Francisco alle drie naar hetzelfde personage verwijzen (de eerste twee zijn informele varianten), of je kunt met een kleine explicitering duidelijk maken dat Number 10 voor de ambtswoning van de Britse premier staat, informatie die bij vrijwel elke lezer uit de broncultuur bekend is. Een goede richtlijn is doorgaans de vraag welke vertaalstrategie in de doelcultuur het gewenste effect sorteert. Wanneer er in een Spaanse brontekst sprake is van de Reyes Magos kan het zijn dat de datum van deze feestdag relevant is: Driekoningen valt op 6 januari. Het kan er echter ook om gaan dat kinderen op die dag cadeautjes krijgen. Voor een kinderboek kan dit dan misschien adequater weergegeven worden met Sinterklaas of, in Vlaanderen, eventueel de Kerstman. Naast de denotatie, die naar een element in de buitenwereld verwijst, is hier dus de connotatie relevant, de associaties die met een begrip verbonden zijn (Grit 2010). De denotatie is meestal zonder probleem te achterhalen. Vooral bij connotaties kan het nuttig zijn navraag te doen op een taalforum met native speakers zoals Wordreference.com. 

3. Zinsdeel en zin 

Op het niveau van de zin kunnen we onder meer denken aan toepassing van transpositie, herschikking van zinsdelen, het splitsen van zinnen en aanpassing van de interpunctie. Transpositie ofwel omzetting van grammaticale categorie doet zich bijvoorbeeld voor bij de vervanging van een actieve constructie, populair in Romaanse talen, door een lijdende vorm, zoals in Tout à coup, une vague énorme la projeta sur le pont: “Opeens werd ze door een enorme golf op het dek geslingerd.” Zulke constructies met een onbezield onderwerp worden in het Nederlands ook regelmatig omzeild met behulp van een voorzetsel: Our study shows that ...: ‘Uit ons onderzoek blijkt dat ...’. Verder worden Romaanse nominale constructies nogal eens omgezet naar werkwoorden. Nous considérons l’achat [de koop] d’un yacht wordt dan “We denken erover een jacht te kopen.” De hiervoor genoemde omzetting van actief naar passief zou ook gerangschikt kunnen worden onder het begrip perspectiefwisseling, ook wel aangeduid als modulatie of antonymische vertaling. Dit houdt in dat een situatie of gebeurtenis in de brontaal bij voorkeur vanuit het ene gezichtspunt wordt gepresenteerd, terwijl in de doeltaal een andere invalshoek dominant is. Zo zeggen Spanjaarden eerder Me pagan por ello [ze betalen mij ervoor], waar Nederlandstaligen de handeling meestal vanuit het perspectief van de ontvanger belichten: ‘Ik krijg ervoor betaald’ (Linn & Slager 2007: 192). Ook voor de volgorde van zinsdelen geldt dat je als vertaler de vrijheid hebt deze te herschikken als een andere syntaxis in de doeltaal gebruikelijker is. Vergelijk bijvoorbeeld de standaardpositie van plaats- en tijdsbepaling in respectievelijk het Frans en Nederlands: Champollion naquit à Figeac le 23 décembre 1790 / “Champollion werd op 23 december 1790 in Figeac geboren.” 

Over de zinslengte is bekend dat Romaanse taalgebruikers relatief lange zinnen produceren, mede door het gebruik van deelwoordconstructies. Ook het Engels kent die mogelijkheid: Sitting on the yellow carpet, drinking coffee, they wondered ... In het Nederlands, waar dit gebruik beperkt is, komt een letterlijke weergave vaak onhandig of omslachtig over. Het kan dan een goed idee zijn om de zinsstructuur te vereenvoudigen en lange zinnen af en toe te splitsen. Dit ligt natuurlijk minder voor de hand als een afwijkende zinslengte typerend is voor de stijl van een schrijver, zoals de voortmeanderende, soms paginalange zinnen van Thomas Mann of Carlo Emilio Gadda. In andere gevallen is het juist gewenst of noodzakelijk een elliptische structuur aan te vullen. In informeel Spaans kan een spreker zijn verhaal kernachtig afronden met Bueno, pues nada [*Goed, nou niks]. In onze taal is toevoeging van een werkwoordsvorm noodzakelijk: “Oké, dat was het.” Let bij de weergave van gesproken taal ook op aanpassing aan formele conventies, zoals gebruik van leestekens; zo worden de aanhalingstekens in Nederlandse citaten in Franse en Spaanse teksten meestal omgezet naar een liggend streepje: “Je weet het nog niet,” zei ze verbaasd. – No estás enterado, dijo sorprendida. 

4. Tekstniveau 

Bij fenomenen die zich op tekstueel vlak manifesteren valt te denken aan stilistische variatie en de interpretatiemogelijkheden die de tekst biedt. De identiteit van literaire personages wordt mede geconstrueerd door de manier waarop ze zich uitdrukken. Deze kan variëren van formeel of archaïsch tot hippe straattaal. In feite hoef je niet exact te weten hoe iemand zich in de werkelijkheid uitdrukt, het gaat erom dat het taalgebruik van een verteller of personage bij het publiek geloofwaardig overkomt, dus passend bij zijn of haar fictionele identiteit. Relevante factoren hierbij zijn onder meer leeftijd en gender, geografische herkomst en sociaal milieu, bijvoorbeeld een vocabulaire dat past bij een laaggeschoold dan wel een erudiet personage. Vooral het vertalen van sociolect en dialect is lastig: enerzijds treedt er vervlakking of zelfs neutralisatie op wanneer je opvallende kenmerken telkens gladstrijkt, anderzijds kunnen doeltaallezers door al te gemarkeerde of exotiserende keuzes in de war raken. Vertalers kunnen hierdoor zelfs beschuldigd worden van culturele toe-eigening of ideologische manipulatie (Linn 2014b: 21). Vervanging door een herkenbaar dialect is dan ook een weinig toegepaste naturaliserende strategie. Meestal wordt geopteerd voor uitdrukkingen die een zekere afwijking van de standaardtaal suggereren, soms met een expliciete toevoeging als ‘... zei ze met een Provençaals accent’. Wees opnieuw alert op connotaties, ook met betrekking tot een bepaalde ideologie of religie; een streng islamitisch personage kun je beter niet een uitroep als ‘allejezus!’ in de mond leggen. 

Geeft een tekst aanleiding tot meerdere interpretaties, probeer de ambiguïteit dan voor zover mogelijk ook in de doeltekst over te brengen. Symbolen kunnen bijvoorbeeld een bepaalde evocatieve waarde hebben die verloren gaat als je ze ‘invult’ door een expliciterende vertaling. In een gedicht van Herman de Coninck werd het vers “Trots. Marmer. Verdriet.” voor Amerikaanse lezers vertaald als “Pride. Stubbornness. Sorrow.” (Albers 2007: 53). Zo’n concretisering ontneemt de doeltaallezer de mogelijkheid zich zelfstandig een associatie bij het begrip ‘marmer’ te vormen. Anderzijds kan juist een verandering een meervoudige interpretatie veiligstellen en equivalentie op dat vlak waarborgen. Rutger Kopland richtte in Al die mooie beloften een aantal gedichten, de ‘G-cyclus’ genoemd, aan een mysterieuze G, over wie veel gespeculeerd is. Zou het om Gerda gaan, Gerard, God? We weten het niet. Vermoedelijk om die laatste optie in elk geval open te houden hanteerde de vertaler in het Frans de aanspreekvorm D, voor bijvoorbeeld Daniel, Dorothée – of Dieu (Kopland 1986). 

Wanneer een bijzonder effect noodgedwongen wegvalt, passen ervaren vertalers vaak compensatie toe. Daarbij wordt een verlies op een bepaald punt als het ware goedgemaakt door een element met een vergelijkbare waarde elders in de vertaling te integreren, zodat het effect in de tekst als geheel ongeveer gelijk blijft. Een voorbeeld: in het Nederlands of Duits kun je door iemand te tutoyeren een verschil in hiërarchie of mate van vertrouwelijkheid uitdrukken. Dit gaat niet op dezelfde manier in het Engels, waar you zowel ‘u’ als ‘jij’ kan betekenen. Een vertaler zou dan iemands voornaam kunnen invoegen of een informele taalvariant als you’re in plaats van you are gebruiken (Delisle et al. 1999: 126). Ook bij het reproduceren van een functionele fout (Linn & Molendijk 2010: 23) kan compensatie van pas komen. Zo kan een laaggeletterd personage gekenmerkt worden door onbeholpen of incorrect taalgebruik. In onze taal kun je bijvoorbeeld ‘heb’ voor de derde persoon gebruiken of dt-fouten invoegen: “Ze schreef in haar brief: ‘hij heb het zelf gezegt’.” 

Om de stilistische vervlakking die in vertalingen kan optreden tegen te gaan kun je ook –gedoseerd – strooien met taalgebonden idiomatische kenmerken, die doorgaans dus niet gemotiveerd worden door de brontekst. Denk voor het Nederlands bijvoorbeeld aan het gebruik van ‘er’ ter aankondiging van het onderwerp: ‘Er komt iemand aan’, modale partikels zoals ‘wel’ of ‘even’ en, vooral in een informeel register, verkleinwoorden (‘lekker weertje!’). Een voorbeeld: de gebiedende wijs heeft in Romaanse talen een ruimere gebruiksmogelijkheid dan in onze taal, waar deze vorm al gauw autoritair overkomt. Je kunt dan prettig nuanceren met een of meer modale partikels: “Loopt u maar even mee.” Ook formuleren Nederlandstaligen in zo’n situatie vaak een vraagzin: “Wilt u even meelopen?” 

Kortom, we kunnen zowel op micro- als op macroniveau concluderen dat vertalen een voortdurende zoektocht is naar de ideale balans tussen verlies en verrijking. 

 

Noten en bibliografie

  1. Zie ook hoofdstuk 3.6. 
  2. Zie ook 2.7. 
  3. Zie ook 2.2. 

 

Albers, Frank. “Herman de Coninck in Amerika.” Filter, tijdschrift over vertalen 14:4 (2007), p. 51-56. Claes, Paul. Gouden vertaalregels. Nijmegen: Vantilt, 2018.

Delisle, Jean, Hannelore Lee-Jahnke en Monique Cormier. Terminologie de la traduction / Translation Terminology / Terminología de la Traducción / Terminologie der ÜbersetzungAmsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 1999.

Dorst, Aletta G., Bert Weltens en Mike Hannay. Van tekst naar text. Taal- en vertaalvaardigheid Engels. Muiderberg: Coutinho, 2014.

García Lorca, Federico. Obras completas I: Poesía. Ed. Miguel García-Posada. Barcelona: Galaxia Gutenberg & Círculo de Lectores, 1996.

Grit, Diederik. “De vertaling van realia.” In Naaijkens, Ton et al. (red.), Denken over vertalen, tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Vantilt, 2010/2004, p. 189-196.

Kopland, Rutger, 1986. Songer à partir (vert. Paul Gellings). Paris, Gallimard.

Lemmens, Marcel en Tony Parr. Handboek voor de vertaler Nederlands-Engels. Groningen: Wolters-Noordhoff, 1995.

Linn, Stella. “Het vertalen van straattaal (I).” Filter, tijdschrift over vertalen 21:3 (2014a), p. 63-70. 

Linn, Stella. “Het vertalen van straattaal (II).” Filter, tijdschrift over vertalen 21:4 (2014b), p. 21-36. 

Linn, Stella en Miel Slager. Vertalen uit het Spaans, tekst en uitleg. Muiderberg: Coutinho, 2007. 

Linn, Stella en Arie Molendijk. Vertalen uit het Frans, tekst en uitleg. Muiderberg: Coutinho, 2010. 

 

Categorieen
Naslag
ELV publicaties
Labels
Alles verandert altijd. Perspectieven op literair vertalen
Vertaaltransformaties