Met opgestroopte hemdsmouwen neuriënd aan het doorgeefluik

Dames en Heren, het kan verkeren. ‘Het kan verkeren’ lijkt me een passende spreuk voor vandaag, nu we vieren dat we als vertalers vaak tijdelijk een ander moeten zijn, een ander dan jezelf en een ander dan gisteren, op je bureaustoel gratis op reis door de wereld en de tijd.

Jan Robert Braat tijdens de Literaire Vertaaldagen 2017
Jan Robert Braat tijdens de Literaire Vertaaldagen 2017

'Het kan verkeren’ dacht ik ook toen ik twee jaar geleden, op de Nobelsite, Svetlana Alexijevitsj in Stockholm haar dankwoord zag houden, voorafgaand aan het grote Nobelbanket, een groots opgezet feestmaal, met trompetgeschal, vendels heffende studenten met petten en baretten, haast onafzienbaar lange, fraai gedekte tafels met volmaakte bloemstukken, waar de Zweedse crème-de-la-crème, 1300 man sterk, aanzat, in vol ornaat volgens strenge ceremoniële voorschriften, met sjerpen en medailles, blote jurken en juwelen, welwillend aanhorend wat de gelauwerde Wit-Russische dame te vertellen had. Svetlana Alexandrovna, aan het spreekgestoelte, dankte de Zweedse academie waardig voor de haar te beurt gevallen hoge onderscheiding, die ze, zei ze, niet zichzelf waagde toe te kennen, maar opvatte als een buiging voor de vele generaties Sovjetmensen in het marxistisch laboratorium van de stralende toekomst – als een buiging voor hun leed en smart. Goed gezegd, dacht ik, want ik had de lotgevallen van de door haar bedoelde Sovjetmensen vertaald en begreep waarover ze het had. Ik gunde haar de Nobelprijs volledig, want met haar tegendraadse zachte kracht had ze sterke werken voortgebracht, met vele schakeringen van wat de mens in verschillende functies en omstandigheden zoal zijn medemens aandoet. En terwijl de tarbot en sint-jakobsschelpen door zwermen kelners werden rondgediend, dwaalden mijn gedachten onwillekeurig – en wellicht ongepast – af naar het meisje in De oorlog heeft geen vrouwengezicht, dat als een van de weinigen in haar dorp de door het rode bewind georganiseerde Oekraïense hongersnood had overleefd door het nuttigen van ’s nachts uit de stal gestolen paardenvijgen. Verse, nog warme paardenvijgen had ze niet door de strot gekregen, maar de koude van de vorige dag wel, al smaakten ze bevroren op hun best, dan geurden ze naar hooi. In diezelfde barre tijd, kunnen we ook bij Alexijevitsj lezen, had een tot wanhoop gedreven moeder een van haar kinderen met een bijl in stukken gehakt en gekookt om aan haar andere kinderen op te voeren. Van dergelijke en andere gruwelen zijn er vele in de werken van Alexijevitsj, maar ze hebben een functie, ze zijn niet bedoeld voor goedkoop griezelen, nee, ze worden sober meegedeeld als onmisbare illustraties van wat de schrijfster aan de lezer uit de doeken wil doen over de verschrikkingen van het mislukte Rode Rijk en daarmee uiteraard ook in ruimere zin over hoe de mens de mens kennelijk steeds een wolf is. Ik heb vier boeken van haar vertaald en dikwijls verbijsterd gezien waartoe de mens in staat is, zowel in goede als in kwadezin.

Het begon begin 2014 met Het einde van de rode mens. De toen nog bestaande Antwerpse Bezige Bij stuurde me de Russische pdf met de vraag of ik belangstelling had. Ik zag na een paar hoofdstukken dat de schrijfster knap werk leverde met het aanschouwelijk voorschotelen van een heel tijdperk aan de hand van met de dictafoon opgenomen en vaardig uitgewerkte getuigenissen van allerlei landgenoten van haar, mannen en vrouwen, jong en oud. Geen lichte kost, zag ik meteen, maar wel heel boeiend, leek me, voor de huidige Nederlandstalige lezer, voor wie de Rus toch vaak een raadsel blijft en die met zo’n boek in één klap een rijkgeschakeerd beeld krijgt van wat de rode medemens zo’n 2000 kilometer oostwaarts en meer heeft aangericht en te verduren heeft gekregen.

Onvoorstelbaar leed, maar ook mateloze geestdrift van jongens en meisjes die zich tegen beter weten in zingend bleven inzetten voor hun grote geliefde vaderland. Ook de Russische rode mens blijft een mens, dacht ik, zij het met voor ons Hollandse denkraam soms moeilijk te vatten uitersten. Het boek bevatte 135.000 Russische woorden en het moest in drie maanden klaar, zei Antwerpen, dus ik draaide lange dagen, maar kon de deadline net halen, handenwrijvend, met de hakken over de sloot. Het vertalen van het proza van Svetlana gaat gelukkig vrij vlot, want zij redigeert de opgenomen verhalen van haar gespreksgenoten tot klare taal, streeft naar directe begrijpelijkheid en heeft geen behoefte aan schoonschrijverij, stijlfiguren, beeldspraak, woordspel of tierlantijnen. Ze schrijft geen Aesopische taal die alleen door de insider kan worden gevat. Ze stelt zich in dienst van haar verschillende helden en heldinnen en wil aan hun verhaal niets overbodigs van eigen hand toevoegen. De vragen die ze haar gespreksgenoten stelt, zijn in de tekst zelden terug te vinden, ze houdt zichzelf buiten beeld. De verschillende weergegeven stemmen brengen in koor een complex verhaal. Die polyfone aanpak wordt door Alexijevitsj in al haar grote werken gehanteerd: over Wit-Russische kinderen in de Tweede Wereldoorlog, over hoe de bevolking de kernramp van Tsjernobyl beleefde, hoe Sovjetvrouwen zich onverschrokken aan het front inzetten om de Duitsers te verslaan, hoe onervaren dienstplichtige soldaten in Afghanistan tegen de Moedjahedien moesten strijden om het Afghaanse volk een stralende socialistische toekomst te kunnen bieden, en hoe de Rode mens aan zijn einde kwam, maar toch niet helemaal.

Had ik geen spijt dat ik dit werk had aangenomen? Verdroeg ik dit wel? Vervloekte ik mijn vak en lot niet? Gruwde ik niet?

Ik hoefde me bij het vertalen dus niet in bochten te wringen om zeldzame literaire hoogstandjes adequaat weer te geven. Ik moest zien haar sober maar nauwkeurig vertelde verhalen ongedeerd over het Nederlandse voetlicht te krijgen, door een tekst te leveren die de schrijfster zelf geleverd zou hebben ware het Nederlands haar moedertaal geweest. Niet dat ik me van haar Nederlands ook maar enige beredeneerde voorstelling kon maken, maar hoe meer ik erin geloofde, hoe beter het liep. Maar hoe verging het mijzelf ondertussen, toen ik die huiveringwekkende getuigenissen in mijn moedertaal zat uit te tikken, al die ontberingen, die vernederingen, dat verraad, die bittere kou, honger en dood? Had ik geen spijt dat ik dit werk had aangenomen? Verdroeg ik dit wel? Vervloekte ik mijn vak en lot niet? Gruwde ik niet? Jazeker, ik gruwde, maar dat mocht ik gek genoeg steeds maar heel even, want telkens besefte ik op hetzelfde moment dat het achter m’n toetsenbordje wel erg geriefelijk gruwen was, bij de kachel, in vredestijd, met koffie en koek, want het echte gruwen was dubbel en dwars reeds door anderen gedaan, door de non-fictie hoofdfiguren zelf, zoals de man die als vijftienjarige jongen, zijn komsomol-eed getrouw, aan de commandant van een foeragebrigade zijn bloedeigen oom had verraden, en gehoorzaam had aangewezen waar oomlief in het bos zijn graan had begraven, waarna de hele voorraad door soldaten werd meegenomen, oom met sabels in stukken was gehakt en zijn huis in brand gestoken. De jongen had zijn land gediend met de dood van zijn moeders geliefde broer en heeft daarna de rest van zijn leven met een afschuwelijk schuldgevoel rondgelopen. Je huivert als vertaler, en je hoopt dat je zelf anders zou hebben gehandeld, maar je bent bij nader inzien niet te vergelijken, want je hebt niet zoals elke Sovjetknaap op de lagere school geleerd dat verklikken van een volksvijand een hoge burgerplicht is. En je denkt aan de vrouw die als ze op een morgen onverwacht wordt gearresteerd nog net haar dochtertje aan de alleenwonende buurvrouw kan toevertrouwen, daarna zeventien jaar in een kamp verdwijnt, en als ze weer vrij is, in de perestrojka inzage vraagt in haar dossier en daar de brief ziet van de aanbrengster, met een bekend handschrift, namelijk van de eerdergenoemde buurvrouw die jaloers was en zelf ook graag een dochtertje wou hebben en haar duivels plan ten uitvoer bracht. De echte moeder ging verslagen naar huis en hing zich op.

Daarbij buig je je hoofd als vertaler. Voor dat non-fictie-leed neem je je hoed af. Je bent geen vondstenverzinner of pseudo-poëet meer, maar dienstvaardige klerk, nijvere besteller aan het doorgeefluik van Alexijevitsj’ hartverscheurende boodschappen. Je hebt bovendien weinig tijd, drie maanden zijn zo voorbij, dus je kunt het je slecht veroorloven te veel van streek te raken. Je wordt gedreven door een besef van urgentie, niet alleen omdat de deadline nadert, maar ook omdat je uit pure geestdrift de tekst zo gauw mogelijk aan de Nederlandstalige lezer wilt leveren. Vreemd eigenlijk, ik verbood mezelf te gruwen, maar wilde dat de lezer dat in mijn plaats wel zo gauw mogelijk kon.

Met haar reisde ik dus in gedachten mee en met haar mocht ik af en toe meehuilen

Ik kon dus moeilijk in de huid van m’n personages kruipen, daarvan waren er ook te veel en heel verschillende, maar wel in die van de haast onzichtbare schrijfster op de achtergrond, die onverzettelijk met haar bloknoot en dictafoon het hele land afreisde om in keukens bij een kop thee tegenover huilende vertellers het geleden leed op te tekenen. Met haar reisde ik dus in gedachten mee en met haar mocht ik af en toe meehuilen.

Toevallig vertaalde ik meteen na Het einde van de rode mens een ‘roman dur’ van Simenon, De dood van Belle. Een sprong van Russische non-fictie naar Franse fictie. Het verschil in brontaal maakt niet veel uit, het moest allebei leesbaar Nederlands worden, maar het verschil tussen non-fictie en fictie was wel opvallend. Bij fictie kruip je niet in de huid van de auteur, maar in die van de personages, al heeft de auteur vaak iets van zijn hoofdfiguren, zeker bij Simenon, dus voor je het weet kruip je in twee huiden tegelijk. Bij Simenon kon ik me nu wel ongeremd verplaatsen in het sneue lot van de wat sullige leraar die ten onrechte werd verdacht van verkrachting en moord – een man die behalve in de verbeelding van Simenon en daarna in de mijne helemaal nooit bestaan had, anders dan Alexijevitsj’ vele helden en heldinnen van vlees en bloed. Dat kan natuurlijk liggen aan het feit dat een sullige leraar me nader staat dan een dienstplichtige Sovjetsoldaat in Afghanistan, want ik ben zelf wel eens leraar geweest, maar heb nooit een uniform, laat staan een wapen, gedragen. Reden te meer om me bij Alexijevitsj tevreden te stellen met het kruipen in de huid van de schrijfster die in elk van haar boeken protesteert tegen onrechtvaardigheid, oorlog en geweld.

Bij de vertaling van de werken van Alexijevitsj is me een weldadige lading aan warme deernis en medeleven te beurt gevallen, van lezers, lezeressen en redactrices die me regelmatig een hart onder de riem staken om te voorkomen dat ik al vertalend in een put van ellende beklemd zou raken. Dat was bijzonder hartelijk. Maar tegelijk word je eigenlijk ook al gered door de werken zelf. Als je ’s ochtends hebt vertaald dat de kokkin in een weeshuis door algeheel voedseltekort bij wijze van middagmaal voor de weeskinderen alleen een grote pan met warm water op tafel kan zetten, besef je aan je eigen keukentafel, even later, met sardientjes op een bruine boterham, wat een godsgruwelijke geluksvogel je bent.

...lezers, lezeressen en redactrices die me regelmatig een hart onder de riem staken om te voorkomen dat ik al vertalend in een put van ellende beklemd zou raken

Af en toe moest ik toch weer uit de huid van de schrijfster treden, want zij noteert de door haar gespreksgenoten spontaan geciteerde versjes woordelijk, en ik moest ze vertalen. Ik zei eerder dat een Rus, rood of niet, ook een mens was als u en ik. Dat laat ik gelden, met de toevoeging dat de Russen, toch iets meer dan wij, hun verhalen doorspekken met versregels en liedjes. Poëzie wordt de Russen al met de paplepel ingegoten dus het hoeft niet te verbazen dat in Sovjet-Rusland voor het optreden van een bezoekende dichter geen achterzaaltje van een café werd afgehuurd, maar meteen een heel stadion. Vaak citeert iemand bij Alexijevitsj een vers Poesjkin, een strofe Majakovski of drie regeltjes Tsvetajeva. De oplettende Russische lezer hoort in zijn hoofd dan meteen de rest, maar de Nederlander of Vlaming natuurlijk niet. Als vertaler moet je dan je best doen om van één zo’n regeltje nog net iets te maken, anders begrijpt de lezer niet waarom bijvoorbeeld een meisje, met haar moeder en zusje gedeporteerd naar Siberië, wonend op een laag geitenkeutels in een kuil in de grond, gewikkeld in lappen bij gebrek aan kleren, nog vreugde kan putten uit een Poesjkingedicht dat begint met de regels: ‘Bij vorst met zon is ’t buiten prachtig, wat lig je, liefje, nog te wachten?’

Maar behalve door de kracht van echte poëzie blijken vooral de vrouwen in de werken van Alexijevitsj een merkwaardig grote steun te vinden in de lofliederen op hun grootse vaderland, liederen die ze tijdens hun verhaal met tranen in hun ogen spontaan beginnen te zingen, ook wanneer hun hele familie door de leider van datzelfde mooie vaderland is afgeslacht. Dan zie je verbijsterd wat ooit geslikte propaganda vermag, en tegelijk hoe vakkundig gecomponeerde marsmuziek met opwekkende tekst de goedgelovige mens voorgoed in de ban kan houden. Het verbluft je als vertaler dat de moorddadigheid van het bewind het blijkbaar aflegt tegen propagandawijsjes die ondanks alles kennelijk duurzame vreugde en hoop blijven oproepen. Je staat versteld, en des te meer voel je je geroepen om de versjes zo te vertalen dat de naïeve blijdschap ervan, zelfs zonder de bijbehorende marsmelodie, tot de lezer doordringt, zoals in:

Vaderland van mij, met al je weidsheid,
Met je stromen, akkers en je woud.

Nergens anders voel ik zoveel vrijheid,
Daarom weet ik dat ik van je houd.

 

of

O, stad van mij, jij bruisende, onoverwinlijk machtige.
O, Moskou lief, mijn vaderstad, mijn favoriete, prachtige…
 

Ik nam mijn taak als Alexijevitsj’ boodschapper ernstig en wou dat de lezer de colonne frisse meisjes in identieke gympakjes perfect in het gelid over het Rode Plein voorbij zag marcheren. Zelf kreeg ik de volgende dagen de begeleidende opgewekte deuntjes niet uit mijn kop, ik had de bekwaamheid van de makers kennelijk toch wat onderschat.

Bij het tweede boek van Alexijevitsj dat ik vertaalde, De oorlog heeft geen vrouwengezicht, deed ik toch een verwoede poging me in te leven in die honderdduizenden moedige Sovjetvrouwen, die zich, vaak niet meer dan zestien jaar oud, in de laatste Wereldoorlog met ongehoord patriottisch vuur vrijwillig bij het Rode Leger meldden om de Duitsers te verslaan. Waarschijnlijk omdat ik zelf niet zo’n held ben, ging me dat inleven niet zo makkelijk af, tot ik bij de getuigenissen steeds vaker las dat die vrouwen die beslissing hadden genomen nadat ze ’s ochtends op de radio het strijdlied Verrijs, geweldig vaderland hadden gehoord. Ik twijfelde geen moment aan hun moed, maar kon ze nu een stuk beter begrijpen, want dat lied, ondersteund door trompetgeschal, pauken- en bekkenslagen is inderdaad van een meeslepende kracht die niemand onbewogen laat. Ik kroop weer in de huid van de onzichtbare schrijfster en voelde dat ze van me eiste dat ik dit beroemde lied met enig behoud van rijm en metrum zouweergeven.

Verrijs, geweldig vaderland,
rijs voor de laatsteslag.

Bied de fascisten tegenstand
en sloop hun snode macht.
 
Laat edele verbolgenheid
nu zieden als een golf.

We voeren een verheven strijd,
de oorlog van het volk.
 

Taal kan een mirakelse kracht bezitten en daarmee heb je als vertaler een machtig vak. Ik dank u voor uw aandacht.

 

Jan Robert Braat
8 december 2018, Amsterdam
Literaire Vertaaldagen
(Foto: Victor Schiferli | Nederlands Letterenfonds)

Categorieen
Vertaalreflectie
Labels
Proza
Non-fictie
Literaire Vertaaldagen
Frans
Russisch