Native vertaler Nederlands-Spaans gezocht

Dit lijkt niet te kloppen. Kennelijk heeft Peter Bergsma zich van spreekster vergist. Geeft u toe: het beeld dat u allen in gedachten hebt bij het lezen van deze vacature is dat van een Spaanse, Mexicaanse of Argentijnse María del Carmen, Ana Cristina of eenvoudigweg Marisol, bij voorkeur in een rode flamencojurk met witte stippen of een tangojurk.

Wat of wie u ook voor de geest staat, ik wed dat het in elk geval geen blonde dame is die luistert naar de oerdegelijke Vlaamse naam Goedele De Sterck, in mijn tweede vaderland of moederland of land van adoptie of hoe het ook mag heten overigens verworden tot Go-ee-dee-lee Dee Esterk.

Ik zie de Nederlandstaligen - en zeker ook de Spaanstaligen - onder u denken: dat wordt niks, ze heeft zowaar alles tegen, moedertaal Nederlands - en op de koop toe de Belgische variant -, ze is niet tweetalig opgevoed, ze heeft Spaans geleerd als vreemde taal, pas op zeventienjarige leeftijd en bovendien van dat verroest academisch Spaans aan de Universiteit, om dan nog maar te  zwijgen van die Vlaamse naam: hoe haalt ze het in haar hoofd om Nederlandstalige literatuur in de taal van niemand minder dan Cervantes, Borges en García Márquez te gaan vertalen… Ja, u hebt gelijk. Ik begrijp uw reactie. De meesten onder u zouden mij wellicht geen roman of kinderboek toevertrouwen maar de voorkeur geven aan een vertaler met moedertaal Spaans… En u bent niet de enigen.

Immers, zoals blijkt uit tal van websites en vacatures is ook voor vertaalbureaus en bedrijven kwaliteit nog steeds synoniem met vertalen in de moedertaal, een woord dat Van Dale definieert als “de taal waarin iemand het spreken geleerd heeft”, de eigen taal dus. Dat wil zeggen: de taal - of eventueel de talen die men als kind op natuurlijke wijze met de paplepel krijgt  ingegoten. Als deze regel geldt voor algemene zakelijke teksten, dan geldt hij des te meer voor literaire werken, zou ik zo denken. Het is dus niet verwonderlijk dat het Expertisecentrum Literair Vertalen in het antwoord op de vraag “Wat moet een literair vertaler weten en kunnen?” de term “eigen taal” hanteert.

Lezing Goedele 2

 

Om kort te gaan: een goede literaire vertaler vertaalt in zijn moedertaal of eigen taal. Daarover schijnt iedereen het eens te zijn. Als Nederlandstalige vertaler Nederlandse en Vlaamse literatuur in het Spaans vertalen is in strijd met de gangbare normen en conventies en dus taboe, maar strookt die opvatting wel met de feiten?

In wat volgt zal ik u ervan proberen te overtuigen dat de tijden veranderen en dat anderstalige vertalers in de huidige omstandigheden onder bepaalde voorwaarden wel degelijk goede literaire vertalingen in een andere taal dan hun moedertaal kunnen aanleveren. Dat gaat echter niet zomaar. Zonder sterke steunberen stort het bouwwerk hoe dan ook in. Maar over welke steunberen  gaat het dan precies? Ik zet die van mij hier even op een rijtje.

Lezing Goedele 4

 

De kiem werd ongetwijfeld gelegd tijdens m’n universitaire opleiding, die bestond in een grondige en bovenal bewuste studie van de Spaanse taal- en letterkunde. Eén ding is zeker. Zonder mijn leermeesters van de KULeuven zou ik hier nu niet staan. Ik wéét dat “se vende pisos” (zonder n) fout is en “se venden pisos” (met n) juist, en ik weet óók waarom. Spaanse  moedertaalsprekers hoeven dat niet te weten. Net zomin als een moedertaalspreker Nederlands kan uitleggen waarom in bepaalde omstandigheden “er” moet worden gebruikt en in andere niet. Bovendien heeft de voortdurende nadruk op inductieve analyse me een onschatbaar instrument aangereikt om teksten en talen te ontleden en bijzondere kenmerken op te sporen.

In 1989 trok ik voor vier jaar naar Salamanca. Zelf wist ik toen nog niet dat ik er in 2014 nog steeds zou wonen, maar mijn moeder wist het al wel: “Je zal met  een Spanjaard komen aanzetten.” “Nee,” antwoordde ik toen energiek, “en als het toch ooit zo ver komt dan wordt het iemand uit het noorden.” Uit Huelva dus, zuidelijker kan niet. Sindsdien leef ik in mijn andere taal, met haar nuances, connotaties, registerverschillen, humor, emoties, geografische eigenheden... Kennen, verkennen, voelen, aanvoelen, empathie…

En toen kwam de dag dat ik kennismaakte met het vertalen. Ik mocht stage lopen bij het Europees Parlement, uiteraard op de Nederlandse vertaalafdeling, want Nederlands was mijn moedertaal. Mijn eerste tekst. Ik zal het nooit vergeten. Over Bhutan, of liever gezegd: over een project in Bhutan. Project. Het woord kwam wel dertig keer voor en in mijn vertaling was het dertig keer fout gespeld, met een ypsilon in plaats van een j, op z’n Spaans. “Gelijkaardig” was verbeterd en vervangen door “soortgelijk”, “alsook” door “alsmede”, en ga zo maar door. Eén grote rode vlek. De diagnose van mijn overigens Vlaamse  mentor was duidelijk: “Spaanse én Vlaamse interferenties”. Conclusie: ik (b)leek geen Nederlands te kunnen. Taalerosie is géén mythe. Uit die tijd dateert trouwens nog een andere anekdote. Ergens in de jaren negentig stapte ik een café in Leuven binnen, ging zonder nadenken aan de toog zitten en bestelde uitdrukkelijk een koffie met melk. Culturele interferenties: ik zou in België nóóit zomaar aan de toog gaan zitten (in Spanje wel) en bij een Belgische koffie zit altijd een melkcupje. Sindsdien probeer ik extra zorg te dragen voor het Nederlands en nóg bewuster om te springen met taal en cultuur in het  algemeen. Alertheid is een must, ook in je moedertaal en in je eigen cultuur...

Maar goed, laten we even terugkeren naar het EP. Toen mijn drie maanden op de Nederlandstalige vertaalafdeling erop zaten en mijn Nederlands weer in goede banen was geleid, wilde het toeval dat er tijdelijk een tekort aan vertalers was op de Spaanse vertaalafdeling. Na veel wikken en wegen werd besloten het risico te nemen: de Spanjaarden zouden met een Vlaamse vertaalster in zee gaan. Vreemd genoeg was dat géén traumatische ervaring. De diagnose was een stuk zachter. Toen ik weer naar Salamanca vertrok, was ik een koffer vol vertaalstrategieën rijker en ging ik aan de slag als zelfstandig vertaalster in het Spaans en in het Nederlands. Handleidingen voor elektrische tandenborstels, productbeschrijvingen (kerstverlichting, theelichtjes, boordcomputers), EU- teksten, huwelijkscontracten…

Tot ik eind jaren negentig een proefvertaling Spaans-Nederlands en een proefvertaling Nederlands-Spaans maakte om te kunnen deelnemen aan een workshop literair vertalen in een van de twee combinaties… Ik werd toegelaten, niet voor Nederlands maar voor Spaans. Enkele jaren later kreeg ik een mentoraat aangeboden naar aanleiding van een anonieme proefvertaling voor een Spaanse uitgeverij. Toen ging de bal voorgoed aan het rollen. Er was geen weg terug. Er is me toen overigens nog gesuggereerd om een  Spaans pseudoniem aan te nemen, want die Vlaamse naam zou twijfels oproepen bij het Spaanstalige lezerspubliek. Ze hadden het al voor me geregeld: mijn tweede voornaam –Maria- en de achternaam van mijn man – De Vega -, maar ik dacht bij mezelf: geen Spanjaard die op de naam van de vertaler let en bovendien: waarom zou ik in hemelsnaam van identiteit moeten veranderen? Als ik hier geraakt ben, zal het verder ook wel lukken…

De gouden raad van mijn mentor en de gedachtewisselingen met collega’s zijn van onschatbare waarde gebleken. Toen en nu, want er blijft onnoemelijk veel werk aan de winkel. Ik leerde een onderscheid te maken tussen wat eigen is aan de brontaal, en dus in de doeltaal moet worden aangepast, en wat eigen is aan de auteur, aan de stijl, aan de toon, en dus functioneel is en behouden dient te blijven.

Na jaren van lezen en vertalen en van vertalen en lezen, en van leren met vallen en opstaan, geef ik sinds kort ook les aan vertalers in opleiding en heb ik de draad van het onderzoek weer opgenomen. Dat brengt me weer een stap verder: het verplicht me om vertaalkeuzes expliciet te verantwoorden, het stelt me in de gelegenheid meer inzicht te krijgen in het vertaal- en leerproces en er komen onvermoede patronen bloot te liggen.

Kortom, de hoofdingrediënten van mijn hoogstpersoonlijke anderstalige vertalerscocktail zijn: leven in de doeltaal (en dat gedurende vele jaren, want input is van essentieel belang), of beter gezegd bewúst leven in de doeltaal, en wel in een voortdurende staat van alertheid, gekoppeld aan een onuitblusbare passie voor taal, letterkunde en cultuur.

Ben ik een vreemde eend in de bijt? Ben ik de uitzondering die de regel bevestigt? Nee, ik ben een kind van mijn tijd. We hebben hier immers te maken met een trend die zich wereldwijd doorzet. De verhoogde mobiliteit in een geglobaliseerde wereld mondt uit in een toenemende hybridisering, waardoor het moedertaalprincipe tot een mythe verwordt.

Lezing Goedele 5

 

Hybridisering is een term die de laatste  jaren zeer in zwang is in de literatuurwetenschap en met name auteurs die hun geboorteland om politieke of economische redenen verlaten of moeten verlaten, als gevolg daarvan vaak met identiteitsproblemen kampen en uiteindelijk in de taal van hun adoptieland gaan schrijven. Binnen het kader van de literatuur leent het begrip zich mijns inziens voor om het even welke situatie waarin niet alleen een auteur maar ook een vertaler uit vrije wil gedurende langere tijd of voorgoed van land en taal verandert en uiteindelijk gebruik maakt van de nieuwe taal bij het schrijven of vertalen van literatuur. De nieuwe taal wordt dus met andere woorden de hoofdtaal. Dit begrip wordt overigens reeds gehanteerd door sommige vertaalwetenschappers, meertalige instellingen (waar meertalige moedertaalsprekers en hybride vertalers vaak terechtkomen) en een enkel vertaalbureau. In de voorbeelden die hier worden getoond, is sprake van hoofdtaal, gebruikelijke taal en dubbele moedertaal, een term die in deze context niet helemaal op z’n plaats is aangezien de tweede taal in geval van langdurig verblijf niet op natuurlijke wijze wordt verworven.

Lezing Goedele 7

 

Binnen de Nederlandstalige literatuur denk ik bijvoorbeeld aan Kristina Goikoetxea en Laia Fàbregas die beiden uit Spanje komen (respectievelijk uit Catalonië en Baskenland), als jonge vrouw naar Nederland zijn verhuisd en vooral in het Nederlands schrijven. Dat kan leiden tot bizarre hybride situaties. Van Fàbregas, die in het Nederlands schrijft, heb ik als Nederlandstalige vertaalster Het meisje met de negen vingers in het Spaans vertaald. Bij haar volgende boek Landen is Laia zelf als vertaalster aan de slag gegaan en heeft ze als auteur én vertaalster deelgenomen aan een vertaalatelier over haar eigen brontekst. Al even complex was de vertaling in het Spaans van een bundel met mondeling overgeleverde volksverhalen uit alle continenten die zijn verzameld door Marita De Sterck. Er zaten onder meer verhalen bij van indianenstammen in Zuid- Amerika die, zoals u hier ziet, een ingewikkeld proces doorliepen. Was het niet logischer geweest om meteen de Spaanse versie in de bundel op te nemen? Dan zou de eigen invalshoek van de Vlaamse auteur verdwenen zijn. Terwijl de schrijfster bewust haar stempel op de originele tekst drukt en dus een actieve bijdrage levert aan de per definitie gelaagde structuur van mondeling overgeleverde verhalen, wordt van de  vertaalster verwacht dat zij de brontekst  in het Spaans vertaalt zonder er een eigen interpretatie aan toe te voegen. In hoeverre een vertaler die deze regel aanhangt toch onbewust zijn persoonlijke stempel op de vertaling drukt is stof voor een andere lezing.

Samengevat: hybridisering werkt verschillend voor auteurs en vertalers. Een auteurstekst mág hybride elementen bevatten, dat wil zeggen elementen die zijn toe te schrijven aan de moedertaal en de moedercultuur van de anderstalige auteur. Anders gezegd, de exotische trekjes die het Nederlands van bijvoorbeeld Fàbregas en Goikoetxea doorspekken worden doorgaans geprezen. Een vertaalde tekst van een anderstalige vertaler mag daarentegen geen hybride elementen bevatten die afkomstig zijn van zijn moedertaal of moedercultuur, maar moet - in dit geval - zuiver en onversneden Spaans zijn.

Tot slot rest dan nog de vraag: wat voor soort vertaler beschikt nu, gelet op deze nieuwe omstandigheden, over de beste  troeven  om  een  geslaagde carrière  als literair vertaler Spaans uit te bouwen? Een moedertaalspreker Spaans met een uitstekende passieve kennis van het Nederlands of een moedertaalspreker Nederlands die een andere taal als hoofdtaal heeft en na jaren van hard labeur – om het op z’n Belgisch-Nederlands te zeggen - voldoende actieve kennis van het Spaans heeft verworven? Hier gelden geen absolute regels en waarheden. De volmaakte vertaler bestaat niet. Elke vertaler heeft lacunes in de brontaal en in de doeltaal, in het Nederlands en in het Spaans. Trouwens: wat is Nederlands en wat is Spaans? Is een Spaanse vertaler naar behoren uitgerust om in het Spaans van Mexico te vertalen en heb ik als Vlaamse voldoende kennis over Nederland om Nederlandse auteurs in het Spaans te vertalen? Elke vertaler heeft sterke en zwakke kanten. Zaak is om de zwakke punten zoveel mogelijk weg te werken. Op de automatische piloot vertalen levert geen bevredigende resultaten op, ook niet als je in je moedertaal vertaalt.

Lezing Goedele 8

Een goede vertaling wordt mede bepaald door de interpretatie van de brontekst. De reikwijdte van bepaalde elementen zoals uitdrukkingen, connotaties, realia en dergelijke zullen doorgaans niet ontsnappen aan een moedertaalspreker, terwijl ze voor een anderstalige soms onopgemerkt blijven en dus definitief verloren kunnen gaan of verkeerd begrepen kunnen worden, temeer omdat revisors zich vaak beperken tot de doeltekst en deze niet vergelijken met het origineel. Zo heb ik ooit gelezen dat er een taxi de startbaan kwam opgereden, daar waar het vliegtuig in de brontekst over het veld taxiede, en kwam er in een essay plotseling een monster uit een meer, terwijl er in het origineel sprake was van een monsterneming van het water. Hier heeft een moedertaalspreker Nederlands wellicht enig voordeel, al is dat relatief. Ik ben opgegroeid in de Vlaamse cultuur die gelijkenissen vertoont met de Nederlandse, maar ook verschillen. Zo had ik bijvoorbeeld voldoende carnaval-ervaring om Naar de overkant van de nacht van Jan van Mersbergen te kunnen vatten. De Catalaanse vertaalster had die niet en is persoonlijk een kijkje komen nemen om die leemte aan te vullen. Net voordat ik Nescio begon te vertalen sprak ik toevallig met de dichter K. Michel die me zei: “Om die wereld aan te voelen, moet je er op de fiets doorrijden”. En dat heb ik gedaan. Het is een beetje zoals reizen vanuit je luie stoel. Naar een documentaire over Afrika kijken is niet hetzelfde als er middenin zitten. Net zoals het niet volstaat om een definitie van het woord “gezellig” te lezen in een woordenboek; je moet het zelf hebben meegemaakt. Is dit onontbeerlijk? Nee, maar het helpt wel. Persoonlijke Afrika- kennis is bijvoorbeeld mooi meegenomen om tot de essentie van Lieve Joris te kunnen doordringen.

Uitstekende kennis van de doeltaal en schriftelijke uitdrukkingsvaardigheid is een tweede vereiste. Hier halen moedertaalsprekers Spaans dan weer voordeel, al is ook dat relatief. Ik zie bijvoorbeeld bij mijn Spaanse studenten dat hun Spaans vaak te wensen overlaat en dat ze bitter weinig lezen. Vreemd genoeg springen buitenlandse Erasmus-studenten vaak behoedzamer om met de Spaanse taal dan zij. Grammaticale fouten en stroeve zinswendingen worden doorgaans wel opgespoord door de revisor, en daar hebben alle vertalers en dan vooral anderstalige vertalers baat bij, want vier ogen zien meer dan twee, los van het feit dat een anderstalige vertaler - en eigenlijk alle vertalers – maar best zijn vertaling kan laten lezen door een moedertaalspreker voordat hij die aanlevert aan de uitgeverij. Zo herinner ik me dat ik in mijn vertaling van God’s gym, van Leon De Winter, had geschreven dat een van de personages “inepto” was verklaard en dus geen dienstplicht moest vervullen, maar in het Spaans is de juiste uitdrukking “no apto” en uiteraard werd dat verbeterd. Anderzijds is het ook zo dat reviserende moedertaalsprekers vaak keuzes die hen vreemd lijken toeschrijven aan het feit dat de vertaler anderstalig is. Zowel in de revisie van de Spaanse versie van Godenslaap als in die van Het meisje met de negen vingers werd geïnsinueerd dat ik niet steeds de juiste toon had weten te vinden: in het eerste geval werd die te complex geacht en in het tweede geval te eenvoudig. Dat lag echter niet aan de vertaler, maar aan de stijl van de auteur. Gelukkig heb ik de respectieve uitgevers ertoe kunnen bewegen om de weldoordachte, barokke taal en de onuitputtelijke woordenschat van Mortier niet plat te walsen en de eenvoud van Fàbregas niet op te smukken. Het hardnekkigste obstakel voor een anderstalige vertaler zijn wellicht de Spaanse taalkenmerken die in het Nederlands niet bestaan, meer of minder vaak voorkomen of aan andere regels onderhevig zijn: het gebruik van werkwoordsvormen in de verleden tijd, bepaalde schakeringen van de subjuntivo… Anderzijds zij erop gewezen dat iedereen die met twee of meer talen werkt interferenties ondervindt en weleens in de val loopt, zelfs moedertaalsprekers. De brontaal is zo sterk aanwezig dat ze vaak de overhand krijgt. Zo is de zin “De vogels vlogen op uit de bomen” in het Nederlands een doodgewone zin, zonder enig stijleffect. Een even doodgewone vertaling zou zijn: “Los pájaros salieron volando de los árboles”. De vertaler met moedertaal Spaans heeft echter gekozen voor “Los pájaros remontaron el vuelo, abandonando los árboles”, een sterk gemarkeerde optie. Hij heeft zich daarbij waarschijnlijk laten leiden door de drang om kost wat kost alle elementen uit  het Nederlands te behouden. Samengevat: uiteindelijk zitten we allemaal in hetzelfde vertalersschuitje. Alle vertalers moeten hun kennis van de doeltaal op peil houden, of ze nu in hun moedertaal vertalen of in hun hoofdtaal. Dat geldt zeker ook voor vertalers die niet in het land van hun doeltaal wonen. De nieuwe informatie- en communicatietechnologieën zijn daarbij een belangrijk bondgenoot. In het internettijdperk wordt het veel gemakkelijker om in contact te blijven met al je werktalen. Fysieke aanwezigheid is niet meer strikt noodzakelijk. Bovendien staan er tal van nieuwe werkinstrumenten tot onze beschikking: corpora, concordanties, combinatorische woordenboeken, Google-beelden… Zelf ga ik bijzonder associatief te werk, en ik geef grif toe dat ik zonder internet nergens zou staan, noch in het Nederlands noch in het Spaans. Googlen en goochelen met taal is een fascinerende ervaring. Vertalen is op en top creatief zijn en dat uit zich met name ook in prentenboeken. Ik heb er bijvoorbeeld intens van genoten om een titel voor Dubbel Doortje van André Solie of Lief, liever, liefst van Geert De Kockere te bedenken. Doble Didi is een klein meisje dat ontdekt dat ze bijna alles dubbel heeft, twee armen, twee benen, enzovoort, en Amo amar, amor is een ode aan de liefde.

De derde pijler waarop een goede vertaling rust wordt gevormd door de vertaalstrategieën en vertaalkeuzes. Het lijdt geen twijfel dat een tot vertaler opgeleide vertaler hier een grote voorsprong heeft op autodidacten die het allemaal zelf moeten uitzoeken. Gelukkig bestaan er vertaalcursussen en – ateliers…

En dan is er natuurlijk nog de literaire component. Het spreekt vanzelf dat een literair vertaler in dit opzicht over andere eigenschappen moet beschikken dan een vertaler van juridische of medische teksten.

En hiermee ben ik aan het einde van mijn betoog gekomen, dat uitmondt in een existentiële vraag: Wie ben ik? Heb ik één moedertaal? Heb ik er twee? Of heb  ik er misschien géén meer? Eerlijk gezegd verkeer ik in een vreemde situatie: ik heb het Spaans te laat geleerd om het volkomen accentloos te kunnen spreken  en kan hoogstens voor Catalaanse doorgaan– vanwege de intonatie en de uitspraak  van  de  L  -,  maar  als  het  op  de  schrijftaal  aankomt,  druk  ik me kennelijk beter uit in het Spaans dan in het Nederlands. Wat ben ik dan? Ben ik nog een moedertaalspreker Nederlands of ben ik inmiddels een native speaker Spaans geworden?  Mensen vragen me vaak: maar in welke taal droom je dan? Ook het antwoord hierop geeft geen uitsluitsel: in het Nederlands of in het Spaans, al naargelang waar ik ben of over wie ik droom. Dat wel: bij het tellen is mijn eerste reflex nog altijd het Nederlands. Dus toch Nederlands? Volgens mij doet dit er allemaal niet toe. Ik sta gewoon met één been in de Nederlandse taal en de Nederlandstalige cultuur en met het andere in de Spaanse taal en de Spaanstalige cultuur en ik denk niet dat ik de indruk wek in een identiteitscrisis te zijn beland of verscheurd te worden door een innerlijk conflict. Integendeel, ik heb niet het gevoel dat mijn leven zich afspeelt tussen twee tegengestelde culturen, maar veeleer in twee culturen die elkaar aanvullen, en dat ervaar ik als een verrijking, een stimulans ook om beide talen zoveel mogelijk te koesteren.

De wereld is onderhevig aan verandering, ook de vertaalwereld. De overtuiging dat een vertaler alleen in zijn moedertaal kan en mag vertalen verliest terrein in een wereld zonder grenzen waar steeds meer mensen, onder wie auteurs maar ook vertalers, hun geboorteland inruilen voor een ander land en een andere taal. Wordt het geen tijd dat we deze nieuwe situatie onder ogen zien en de tot nu toe gebezigde terminologie aanpassen door moedertaal stelselmatig te vervangen door bijvoorbeeld hoofdtaal? Het heeft geen zin om achter de feiten aan te hollen.me vaak: maar in welke taal droom je dan? Ook het antwoord hierop geeft geen uitsluitsel: in het Nederlands of in het Spaans, al naargelang waar ik ben of over wie ik droom. Dat wel: bij het tellen is mijn eerste reflex nog altijd het Nederlands. Dus toch Nederlands?

Volgens mij doet dit er allemaal niet toe. Ik sta gewoon met één been in de Nederlandse taal en de Nederlandstalige cultuur en met het andere in de Spaanse taal en de Spaanstalige cultuur en ik denk niet dat ik de indruk wek in een identiteitscrisis te zijn beland of verscheurd te worden door een innerlijk conflict. Integendeel, ik heb niet het gevoel dat mijn leven zich afspeelt tussen twee tegengestelde culturen, maar veeleer in twee culturen die elkaar aanvullen, en dat ervaar ik als een verrijking, een stimulans ook om beide talen zoveel mogelijk te koesteren.

Laat ik afronden met een Spaanse noot: GRACIAS. Mijn oprechte dank aan alle ruimdenkende toehoorders, pleitbezorgers van het Nederlands en de Nederlandstalige literatuur en cultuur, uitgevers, auteurs, lezers, collega- vertalers, collega-vertaaldocenten en collega-vertaalwetenschappers die anderstalige vertalers met hun sterke én zwakke kanten de kans geven om vertaalmythes te doorprikken en dromen waar te maken.

 

Goedele De Sterck
13 december 2013
Literaire Vertaaldagen

Categorieen
Vertaaltheorie
Vertaalreflectie
Labels
Proza
Hybride taalgebruik
Vertaalrichtingen
Moedertaal
Spaans
Literaire Vertaaldagen