Zichtbaarheid of dienstbaarheid. Hoeveel schrijver is een vertaler?

Geplaatst op: 19 december 2022

Vertalers treden uit de schaduw, het heeft er tenminste de schijn van dat ze in onze contreien iets minder onzichtbaar aan het worden zijn. Onder invloed van de recente open brief gelanceerd door Annemart Pilon en Martin de Haan, beloofde een hele reeks uitgevers de namen van vertalers voortaan op het boekomslag te zullen vermelden. Zeker, zulke naamsvermelding bevordert de fameuze zichtbaarheid van vertalers. Maar hoe zit het dan met de even fameuze dienstbaarheid die ze naar verluidt moeten betrachten? Dreigen zichtbare vertalers het zicht op de schrijver en het boek niet in de weg te staan?

Afbeelding van een persoon die op camera wordt geïnterviewd

Het vertaalpleidooi Overigens schitterend vertaald (2008) was in de Lage Landen een belangrijk moment in de thematisering van vertalerszichtbaarheid. Het gaf er een externe interpretatie van: het ging in dat pleidooi niet om de zichtbaarheid van de vertaler binnen de tekst, maar om de maatschappelijke zichtbaarheid van de beroepsgroep, in de media, op internet, in het literaire bedrijf en dus ook op boekomslagen. Het doorbreken van ‘de vicieuze cirkel van de onzichtbaarheid’ (lage waardering > lage honorering > lage kwaliteit > lage waardering) zou, zo was de redenering, de levensomstandigheden van vertalers moeten verbeteren en daarmee indirect ook de kwaliteit van hun werk moeten opkrikken.

Dat wil niet zeggen dat er onder vertalers consensus heerst over de veronderstelde weldaden van zichtbaarheid. Sommigen van hen willen helemaal niet met naam en toenaam op een boekomslag prijken. Volgens hen laboreren vertalers die zich aanmatigen ‘auteur’ te zijn aan misplaatste eigenwaan. Het idee dat toegenomen vertalerszichtbaarheid de prikkel zou kunnen vormen tot een bewustere manier van lezen, die rekening houdt met het dubbele auteurschap dat vertaalde boeken kenmerkt, is hun een gruwel. ‘Dubbel auteurschap’? De rol die vertalers toekomt is die van neutrale intermediairs, ze moeten vooral niet tussen de schrijver en het boek willen staan. Beperkt vertalen zich niet tot de vaardigheid om in je eigen taal over te zetten wat door anderen is verwoord, verbeeld en verzonnen? Zijn vertalers niet op zijn best goede vaklui, vaardige scribenten met talenkennis? Wat vertalers in deze opvatting van het vertalerschap vooral moeten ambiëren is dienstbaarheid.

Meningsverschillen over de feitelijke of wenselijke zichtbaarheid of onzichtbaarheid van vertalers worden gevoed door een al dan niet impliciete strijd om status. De hogere waardering voor het werk van vertalers waar het in het vertaalpleidooi om te doen is, stuit op sociale grenzen. Op grote schaal, binnen en buiten het literaire bedrijf maar ook in de beroepsgroep zelf, worden vertalers-als-categorie lager aangeslagen dan schrijvers. Het is in deze nog altijd dominante visie niet meer dan terecht dat vertalers een relatief onzichtbaar bestaan leiden in de coulissen: vertalers scheppen immers niet, hun rol is die van dienaars, waterdragers, letterknechten, en wanneer ze zich opwerpen als makers, auteurs of kunstenaars begaan ze een gotspe.

Elke lezer van literatuur kent het verschijnsel: is een vertaling goed, dan kun je de illusie hebben dat je rechtstreeks toegang krijgt tot de oorspronkelijke auteur, dat de vertaalslag transparant is; is een vertaling slecht, dan dringt de vertaler zich hinderlijk op de voorgrond. Onbeholpen beeldspraak, kreupel of omslachtig Nederlands, een zin waar het origineel doorheen schemert, een aperte vertaalblunder – stuk voor stuk vormen van zichtbaarheid die fnuikend kunnen zijn voor het leesgenot. Zelfs wanneer toegenomen zichtbaarheid buiten de tekst positief wordt gewaardeerd, staat zichtbaarheid binnen de tekst veelal in een kwade reuk. In slechte vertalingen staan zichtbaarheid en dienstbaarheid in elk geval nadrukkelijk met elkaar op gespannen voet.

Maar wordt die frictie weggenomen door méér dienstbaarheid? Hier wreekt zich de intern tegenstrijdige, intrinsiek dubbelzinnige aard van dat begrip. Vertalers dienen meerdere meesters: de schrijver, maar ook de lezer. Vertalingen komen tot stand in het spanningsveld tussen twee talen. Word je geconfronteerd met een praktisch vertaalprobleem, dan kun je aan de originele tekst nooit een criterium ontlenen om te besluiten hoe het moet worden opgelost. Blijf je dicht bij de oorspronkelijke zinsbouw en woordenschat, uit ‘dienstbaarheid’ aan de schrijver, of verwijder je je er juist van, uit ‘dienstbaarheid’ aan de lezer? Vertalers kunnen met andere woorden hun artistieke verantwoordelijkheid voor de stilistische keuzes die ze maken niet ontlopen. En willen ze die verantwoordelijkheid op zich nemen, dan is het credo van de dienstbaarheid hun van bitter weinig nut.

Of om het anders te zeggen: vertalers staan altijd, en per definitie, tussen schrijver en boek. Zij schrijven immers ook zelf een boek, een boek dat er zonder hun bemiddeling helemaal niet zou zijn, een boek waarvan ze ieder woord en elk leesteken hebben gewikt en gewogen. Dat boek is een interpretatie, een belichaming, een vertolking uit een ontelbare hoeveelheid mogelijke vertolkingen. Een schoolvoorbeeld van die onafwendbaar interpretatieve aard van literair vertalen is te vinden in de Engelse hervertalingen van À la recherche du temps perdu, een jaar of twintig geleden verschenen bij Penguin. De zes delen van Prousts megaroman werden verdeeld over zeven afzonderlijke vertalers. Niettegenstaande de aanwezigheid van een general editor, Christopher Pendergast, luidde na voltooiing van het project het niet bijster verrassende verdict van critici dat Proust zeven verschillende stemmen had gekregen.

Hoeveel schrijver is een vertaler? Bij wijze van boutade zeg ik weleens dat een vertaler méér schrijver is dan een schrijver, want een vertaler geeft alleen om stijl. Schrijvers moeten er nog een hele wereld bij verzinnen.

Wat niet echt helpt bij het vermijden van begripsverwarring in deze materie, is dat de vertalers die in de afgelopen decennia zijn opgekomen voor hun eigen auteurschap nogal eens een misleidend etiket opgeplakt hebben gekregen – of een verwarrend etiket hebben geclaimd. Zo repte men van hun esthetiserende, vrije of creatieve aanpak. Dergelijke labels suggereren dat deze vertalers hun teksten naar eigen inzicht opleuken, naar eigen goeddunken verfraaien, maar geen enkele zichzelf serieus nemende vertaler doet dergelijke claims gelden.

Neem de iconische Pé Hawinkels, die al in de jaren 70 opkwam voor de ‘medecreativiteit’ van vertalers, en wiens aanpak wel ‘esthetiserend’ is genoemd. Een berucht voorbeeld uit zijn vertaling van Thomas Manns Der Zauberberg: in 1975 vertaalde Hawinkels schwer keuchende Lokomotive als een ‘door rokershoest geplaagde locomotief’. Hij had, schreef Karel Van het Reve destijds, ook voor een ‘amechtige’ of ‘hijgende’ of ‘puffende’ of ‘hijgende en blazende’ locomotief kunnen kiezen. Hervertaler Hans Driessen trok zich dat advies in 2012 aan en vertaalde, conform het woordenboek en dus aanzienlijk minder buitenissig, ‘zwaar puffende locomotief’. Maar mijn punt is dat Hawinkels zijn ietwat narrige keuze wel degelijk rechtvaardigde op grond van het ruim opgevatte begrip ‘dienstbaarheid’: hij wilde zo goed en zo kwaad als het ging recht doen aan de ‘lollige’ toon van Manns origineel.

Of neem de uiterst zichtbare Hans Boland, zelfverklaard pleitbezorger van het ‘creatieve’ of ‘vrije’ vertalen. In zijn essay over het vertalen van Tolstoj Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje (2017) verzet hij zich tegen het idee dat trouw aan de brontekst in een vertaling zaligmakend is. Maar de door hem bepleite gevoeligheid voor de context is wel degelijk een hogere vorm van trouw: hij wil zijn eigen taal net zo lang kneden tot origineel en vertaling ‘elkaar zo volledig mogelijk dekken’ (in de ruimtelijke zin van het woord).

Problematisch aan het credo van de dienstbaarheid is kortom dat het door niemand wordt tegengesproken. Woordspelingen of woordgrapjes die door de vertaler in ere worden gehouden, opvallende stijlprocedés die gloed en glans geven aan een tekst, registers die worden opengetrokken, idiomatische rijkdommen die ten volle wordt benut, virtuoze passages die de verdietsing ongeschonden doorstaan: er zijn genoeg vormen van tekstinterne zichtbaarheid die bij nadere beschouwing heel goed te rijmen zijn met onwankelbare trouw aan auteur en tekst. In goede vertalingen staan zichtbaarheid en dienstbaarheid helemaal niet met elkaar op gespannen voet.

Wat is een goede literaire vertaling? Het is géén neutraal, transparant aftreksel maar een congeniaal literair kunstwerk – het is, nog ronkender geformuleerd, een hypnotische vertolking van een originele tekst. Literaire vertalers zijn estheten tegen wil en dank. Vrijheid is het hun beschoren lot. Ze zijn tot creativiteit gedoemd.