Ornithologie is voor vogels wat kunstfilosofie voor kunstenaars is, zei de Amerikaanse kunstenaar Barnett Newman ooit. Hetzelfde zou je kunnen zeggen over vertaalfilosofie en vertalers. Er lijkt een gapend gat te zijn tussen wat filosofen als een goede vertaling zien, en wat voor vertalers over het algemeen als een goede vertaling geldt. Althans zo voelde het voor mij het afgelopen jaar, toen ik me voor het eerst aan een boekvertaling waagde.
Trouw en verraad
De centrale vraag in de vertaalfilosofie is de afgelopen tweehonderd jaar min of meer hetzelfde gebleven: moet de vertaler trouw zijn aan de brontekst of aan het publiek? (Weber). Hierbij beargumenteren de meeste postkoloniale denkers dat trouw aan de brontekst belangrijker is dan een soepele leeservaring voor het beoogde publiek.
Spivak heeft misschien het duidelijkst uiteengezet hoe de vertaling van werken uit het Mondiale Zuiden vervlochten is met het wereldwijde kapitalisme. De onzichtbare hand van de markt bepaalt naar welke geluiden er vraag is. Dat heeft niet alleen betrekking op het taalgebied, maar ook op de stemmen uit dat taalgebied. Om maar een makkelijk voorbeeld uit Europa te geven: er is een grotere vraag naar Oekraïense romans sinds de Russische invasie, maar daarbij is er een voorkeur voor oorlogspoëzie of verhalen uit de Donbas, en niet voor romantische drama’s uit de hogere middenklasse van Kyiv. Dat komt doordat de consumptie van literatuur uit onbekende landen vaak een bepaald doel dient: voor velen is het de makkelijkste ingang in een andere cultuur of wereldopvatting, en de vertaling van werken uit landen die we slecht begrijpen, dient ons in de eerste plaats een transparant beeld voor te schotelen van hoe het leven daar eruit ziet en de mensen daar denken.
Dat die transparantie een illusie is, mag niet verbazen. Als een Egyptische roman pas voor vertaling in aanmerking komt zodra het een bepaald beeld van Egypte en de Egyptenaar bevestigt, zal de lezer niet geconfronteerd worden met een werkelijk ander wereldbeeld, maar simpelweg het zijne erin teruglezen. Daarbij komt dat zulke romans vaak vertaald worden in keurig en vlot Nederlands, net als alle andere literatuur uit het Mondiale Zuiden, met als gevolg dat een vrouw uit het Zuiden van Vietnam tijdens de jaren 60 gelijkaardig klinkt als een rijke Egyptische man uit de jaren 20. Deze uniforme vertaalstijl, schreef Spivak al, maakt de consumptie van literatuur uit het Mondiale Zuiden haast frictieloos (“The Politics of Translation”). Het grootste compliment voor een vertaler zou zijn dat zij een Palestijn als een Nederlander kan laten klinken. Deze vertaalstijl is daarmee een vorm van epistemisch geweld: ze giet de unieke vertelstem van iedere auteur in dezelfde leesbare mal.
Roep en antwoord
Als pas afgestudeerde filosofiestudent probeerde ik in een artikel dit vraagstuk open te breken door vertaling niet te begrijpen in termen van trouw en verraad, maar in termen van roep en antwoord (“Naar een politiek en poëtiek van vertaling”). We moeten de brontekst niet zien als een passief object dat we naar het Nederlands vertalen, maar als een haast ademend wezen dat roept om vertaling. Iedere tekst heeft zo zijn eigen stem, zijn eigen unieke stijl waarmee het zich tot de algemene taal verhoudt. Misschien gebruikt de auteur vergelijkingen die niet helemaal kloppen, staccato interpunctie die ongrammaticaal lijkt of anglicismen die ook in de brontaal vreemd klinken. Het geheel van al deze eigenaardige stijlelementen, van al deze afwijkingen tot de ‘keurige’ versie van de taal, constitueert de unieke stem van de tekst. En het is die stem die om vertaling roept.
Daarmee is het probleem van geweld binnen vertaling niet opgelost, maar het krijgt wel een duidelijkere plek binnen een vertaalpraktijk. De mogelijkheid dat een vertaling het origineel geweld aandoet kun je niet weghalen; geweld blijft het hart van iedere vertaling. Het kan een tekst laten doodbloeden of tot leven wekken. Het is de taak van de vertaler om dat geweld in goede banen te leiden, het bloed naar de lichaamsdelen te laten stromen. “Vind jouw taal maar uit als je de mijne wilt verstaan”, schreef Derrida over de vertaling van zijn eigen werk (Le monolinguisme de l’autre, 100 [1]). Oftewel: giet mij niet in die levenloze uniforme mal van keurig en vlot Nederlands, maar creëer je eigen unieke vertelstem als antwoord op de mijne. Door zo naar vertaling te kijken, is het niet langer een apolitiek ambacht waar epistemisch geweld op de loer ligt, maar een kunstvorm verwant aan het schrijven zelf, waarin je telkens weer jouw unieke stem moet vinden om het verhaal van een ander te kunnen vertellen. Als we zo naar vertaling kijken, is ook het risico dat AI het vak uitholt veel kleiner. AI kan – althans momenteel – alleen naar voorspelbaar Nederlands vertalen, vlot en keurig, en niet het verrassende van ieders unieke vertelstem recreëren. Het blijft hoogstens een hulpmiddel; de vertaler zal het zware werk moeten doen.
Theorie en praktijk
Maar toen kwam de praktijk. Ik vertaalde Albert Memmi’s Portret van de kolonisator & Portret van de gekoloniseerde vanuit het Frans naar het Nederlands. De joods-Tunesische Memmi schreef het boek in de jaren vijftig, in de beginjaren van de dekolonisatie. Op onnavolgbare wijze analyseerde hij de materiële condities in de kolonie en wat voor psychologische effecten ze hadden op de twee hoofdrolspelers in het koloniale drama: de kolonisator en de gekoloniseerde.
Het boek sloeg in als een bom. In zijn tijd, maar ook bij mijzelf toen ik het zestig jaar later las. De zinnen raakten me, sommigen bleven weken dan wel jaren in mijn hoofd spoken en ik citeerde ze te pas en te onpas in kroegen en koffietentjes. De kracht van Memmi’s boodschap lag grotendeels in zijn toon: een Tunesiër die zo eloquent en analytisch mogelijk probeert te schrijven voor een Frans publiek, maar met een woede over de koloniale situatie die hier en daar door de tekst schemert. Memmi wil bovenal redelijk overkomen, maar voelt zich belazerd door de kolonisatie en wat het heeft voortgebracht in Noord-Afrika. Toen ik met de vertaling aan de slag ging, was mijn uitgangspunt om die kracht over te brengen: “het moet percutant zijn”, plakte ik boven mijn bureau. Ik wilde dat het mensen zou raken zoals het origineel dat bij mij deed.
Ik had nauwelijks ervaring, enkel wat vertaalde gedichten hier en daar, en een academisch artikel waarin ik op ietwat losgezongen wijze mijn eigen visie op vertalen ontwikkelde. Dus ik begon voorzichtig, behoudend, en ik probeerde iedere betekenis zo zorgvuldig mogelijk over te brengen. Ik was me er niet van bewust dat ik door zo te vertalen bezig was met trouw zijn aan de brontekst. Een ervaren vertaler, Han Meyer, wees op mijn ’misplaatste ontzag’ voor het origineel. Als je te veel bezig bent iedere betekenislaag van het Frans over te brengen, zo bleek, vergaat de slagkracht. De tekst kwam niet aan zoals ik wilde. Rode pennenstreken van mijn bewonderenswaardige redacteur zouden later over de pagina’s van het manuscript woekeren, waarna ik me langzaam maar zeker gewonnen gaf. Het boek moest nu eenmaal verkopen. Keurig en vlot Nederlands was misschien beter – zolang mensen het maar lezen.
Eigenwijs
De onzekerheid die ontstond toen ik de correcties verwerkte, kwam doordat ik de voorkeur gaf aan keurig en vlot Nederlands – en wie weet nu exact wat dat is? Ik vertaalde niet meer vanuit mijn Nederlands, maar met het oog op een ideaal soort Nederlands dat ik niet beheerste. Langzaam maar zeker verloor ik grip op de tekst, tot ik aan het einde van de tweede redactieronde besloot het hele manuscript nog één keer van kaft tot kaft te lezen. Deze lezing verschilde volledig van de voorgaande lezingen. Ik las het niet langer alsof de tekst van Memmi was – Is dit wat er staat? Zou Memmi dit zo gezegd hebben? – maar alsof het mijn tekst was. Aan het einde van een lange rit begon ik te antwoorden op Memmi’s roep in mijn eigen vertelstem, die ik tijdens deze vertaling speciaal hiervoor had ontwikkeld. Je zou het een machtsgreep kunnen noemen. Bij iedere zin vroeg ik me nu af: is dit hoe ik het zou zeggen?
De kloof tussen vertaalfilosofie en vertalen bleek niet zo groot als gedacht. Ik bekritiseerde de dominantie van trouw en verraad binnen de vertaalfilosofie, en uitgerekend deze manier van denken sloop op kousenvoeten mijn vertaalpraktijk binnen. In de praktijk bleek het niet zo simpel: in vroege vertaalrondes was ik vooral bezig met de betekenis van iedere zin te doorgronden; tegen het einde met de vertaling laten klinken als een Nederlandse tekst. Voor die laatste fase, bleek nadenken in termen van roep en antwoord cruciaal. Alleen door je eigen stem te vinden, door te doen alsof het jouw boek is, kan het werk de eenheid verkrijgen van de oorspronkelijke tekst. Zoals Han Meyers me adviseerde: "Je moet eigenwijs zijn. Memmi weet niet hoe je zijn boek in het Nederlands schrijft. Daar moet jij achter zien te komen".
Noten :
[1]. Mijn vertaling, zijn cursief.
Bibliografie:
Derrida, Jacques. 1996. Le monolinguisme de l’autre.
Glissant, Édouard. 1997. Le discours antillais. Paris: Gallimard.
Hadjadj, Esha. (2023) “Naar een politiek en poëtiek van vertaling”, Ethiek en Maatschappij 25(1), 11–33. doi: https://doi.org/10.21825/em.94651
Spivak, Gayatri Chakravorty. 2000. “The Politics of Translation” in The Translation Studies Reader, red. Lawrence Venuti, 397- 416. London: Routledge
Weber, Samuel. 2005. “A Touch of Translation: on Walter Benjamin’s ‘Task of the Translator’” in Nation, Language, and the Ethics of Translation, red. Sandra Bermann en Michael Wood, 65-78. Princeton: Princeton University Press.