Aannames omtrent het vertalen van religieuze teksten (HTS)

Geplaatst op: 28 maart 2019

Het vertalen van religieuze teksten verschilt niet wezenlijk van het vertalen van andere teksten uit een cultuur die zich temporeel en ruimtelijk op grote afstand van het doelpubliek bevindt. Een vertaler heeft echter vaak weinig ervaring met heilige teksten en een theoloog mist dikwijls een adequate vertaalvaardigheid. Wat zijn zoal de problemen waar een vertaler van religieuze teksten tegenaan loopt?

Samenvatting artikel ‘Religious translation’ – Jacobus Naudé (2010)

Door Claudia Visser

 

Ten eerste kunnen een gebrek aan cultuurspecifieke achtergrondkennis en het onvermogen om non-verbaal gedrag te duiden zorgen voor een grote cultuurkloof. Hierdoor wordt consistentie in de perceptie van teksten belemmerd of geblokkeerd; dat geldt ook voor heilige teksten. Soms is het van wezenlijk belang de kloof te overbruggen, een andere keer moet de culturele afstand juist blijven bestaan en tracht de vertaler het publiek bij de hand te nemen om het de vreemdheid van de tekst juist te laten ervaren.

Omdat oudere heilige teksten in een moderne samenleving niet dezelfde communicatieve functie vervullen als in de oorspronkelijke sociale en culturele context, dient voor de vertaling een nieuw doelpubliek te worden bepaald. Hiervoor zal de brontekst in een bepaalde mate worden gemanipuleerd en kiest de vertaler tussen (voornamelijk) trouw zijn aan normen uit de broncultuur of uit de doelcultuur. De vertaler bedient zich hierbij van verschillende strategieën waarmee cultuurspecifieke begrippen worden overgezet, om zo een succesvolle interculturele communicatie tot stand te brengen.

Vanaf de jaren tachtig heeft de vertaalwetenschap zich steeds meer beziggehouden met het descriptief analyseren van religieuze vertalingen, waarbij de vertaalkritiek zich vooral richt op het verklaren van vertaalkeuzes, ingegeven door onder andere ideologie, strategieën en normen. Het bleek dat men

bij sommige vertalingen heeft willen voorzien in specifieke behoeften van een deel van de gemeenschap, om het lezen zo aangenaam mogelijk te maken. Zo zijn er parafraserende vertalingen gemaakt, of vertalingen die inclusief taalgebruik bevatten [(taalgebruik dat niet louter mannelijk of vrouwelijk is; in de Amerikaanse New International Version van de Bijbel is sprake van dit inclusieve taalgebruik)]. Moderne vertalingen van heilige teksten zijn vaak gemaakt met aandacht voor de behoeften van de beoogde lezers, ten koste van het principe dat dergelijke teksten moeten worden ontvangen als religieuze artefacten afkomstig uit een eeuwenoude wereld.

Vertaalbenaderingen bij heilige teksten

Het vertalen van heilige teksten kan worden samengevat tot vier benaderingen die de praktijk weerspiegelen (Robinson 2000). Allereerst is het vertalen van zulke teksten voor persoonlijk gebruik niet aan regels gebonden. Wanneer er sprake is van gereguleerde vertaling, wordt er door zekere gezaghebbenden streng toegezien op wie wat en hoe vertaald voor wie, en of en met wie de vertaling wordt gedeeld en besproken. Dat kan betekenen dat vertalen wordt verboden of dat de vertaling voor een klein aantal ingewijden beschikbaar is. Er kan ook juist een open houding zijn tegenover het vertalen van zo’n tekst, met het idee dat die het grote publiek niet onthouden mag worden, hoewel dat niet betekent dat er absolute vrijheid is bij het vertalen ervan. Ten slotte komt er ook een tussenweg voor: er wordt letterlijk, woord voor woord vertaald, zelfs zonder de syntaxis aan te passen voor het doelpubliek, waardoor de heilige tekst voor het grote publiek grotendeels onbegrijpelijk blijft.

Om te bemiddelen in religieuze conflicten voortkomend uit de vertaling van heilige teksten, worden vaak metateksten aangewend (Naudé 2008). Te denken valt aan Maarten Luthers ‘Sendbrief vom Dolmetschen’, waarin Luther zijn relatief vrije, creatieve vertaling van de Heilige Schrift verdedigt.

Bijbelvertaling

Voor de wereldwijde verspreiding van het christendom is vertaling door de geschiedenis heen van essentieel belang geweest. Aanvankelijk waren Grieks en Aramees de doeltalen. Vanaf de vierde eeuw was er sprake van een katholieke context, waarin de Hebreeuwse en Griekse teksten verchristelijkt werden. Vanaf de middeleeuwen tot de jaren zestig van de twintigste eeuw was bijbelvertaling voornamelijk ingebed in een protestantse context, met veel verschillende doeltalen. Het vertalen ging erg letterlijk, met archaïsche taal en stijl tot gevolg, omdat minder waarde werd gehecht aan de pragmatische functie van de brontekst. Denk hierbij aan de Engelse King James Version en de Nederlandse Statenvertaling. Deze vertaalopvatting veranderde in de twintigste eeuw sterk: verschillende geloofsgenootschappen trachten sindsdien samen te werken en men richt zich daarbij op het toegankelijk maken van de kale boodschap die in de bronteksten te vinden is. Onder anderen Eugene Nida speelde hierin een centrale rol. Vertalen is, aldus Nida, het reproduceren van het voor de doeltaallezer meest nabije natuurlijke equivalent van de brontekst. Daarbij gaat betekenis voor stijl uit en een vertaling is dynamisch equivalent aan de brontekst wanneer die eenzelfde reactie oproept bij de ontvanger als bij de oorspronkelijke ontvanger.

Missionarissen en zendelingen, wier reizen samen opgingen met Europese gebiedsveroveringen, hebben steeds het belang benadrukt van de vertaling in inheemse talen voor het overbrengen van de heilige teksten.

Vertaling van de Koran

Pas toen de islam vanaf zo ongeveer de 7e eeuw van de moderne jaartelling buiten de Arabische wereld werd verspreid, ontstond het probleem dat de tekst niet door alle moslims kon worden begrepen. Binnen de islam heerste een overwegend negatieve houding ten opzichte van vertalingen van het boek. Het vertalen zou duiden op een gebrek aan eerbied of werd zelfs gezien als godslasterlijk, omdat de Arabische tekst wordt beschouwd als een wonder; het letterlijke woord van God, door zijn boodschapper geopenbaard. Er zijn daardoor geen geautoriseerde vertalingen met dezelfde status als sommige Bijbelvertalingen, maar er zijn door de tijd heen wel verschillende vertalingen van de Koran verschenen, waaronder zeer veel naar het Engels. De eerste, in de 17e eeuw, was een indirecte vertaling vanuit het Frans. De meeste vertalingen zijn letterlijk: de bewoordingen en syntaxis van het Arabisch zijn aangehouden. Vertalingen worden beschouwd als commentaren of interpretaties en zijn voornamelijk bedoeld als informatiebron voor niet-moslims. Alleen in de Engelse vertaling van N.J. Dawood is sprake van functionele equivalentie; de uitgave van Al-Hilali en Khan bevat zowel bron- als doeltekst en daarbij is sprake van een geannoteerde vertaling. Oorspronkelijk werd de inhoud van de Koran mondeling ten gehore gebracht. Deze aan de taal gerelateerde voordracht wordt in geen enkele Engelse vertaling weerspiegeld.

Vertaling van de Talmoed

Omdat de meeste joden de Talmoed als kind al bestudeerden, waren zij bekend met het ingewikkelde taalgebruik daarin. De vele commentaren daarbij waren voor hen voldoende om onduidelijkheden weg te nemen. Pas in de 19e eeuw werden er vertalingen van de Talmoed in andere talen gemaakt, waartoe de integratie van joden in seculiere Westerse maatschappijen mede de aanleiding was. Vanuit traditionele hoek was er veel weerstand tegen deze vertalingen, maar de behoefte eraan kreeg uiteindelijk de overhand (Mintz 1994).

Conclusie

Bij vertalingen van de Koran is sprake van gereguleerde vertaling, terwijl er bij de wat modernere Talmoedvertalingen sprake is van de derde vertaaltraditie: een tussenweg tussen een strikt vertaalverbod en een open vertaaltraditie. Wat Bijbelvertalingen betreft, werd er steeds voorzien in de behoefte van het grote publiek om de heilige teksten in de eigen taal te kunnen lezen. Aanvankelijk waren de vertalingen sterk gebonden aan regels en werd er letterlijk vertaald; later geloofde men dat de tekst oorspronkelijk bedoeld was voor het grote publiek en daarvoor ook toegankelijk moest blijven.

 

Bibliografie

  • Mintz, Adam. 1994. ‘Words, Meaning and Spirit: The Talmud in Translation.’ The Torah U-Madda Journal 5: 114-155.
  • Naudé, Jacobus A. 2006. ‘The Qu’rān in English. An analysis in Descriptive Translation Studies.’ Journal for Semitics 15 (2): 431–464.
  • Naudé, Jacobus A. 2008. ‘It’s all Greek. The Septuagint and Recent Developments in Translation Studies.’ In Translating a Translation. The Septuagint and its Modern Translations in the Context of Early Judaism, H. Ausloos, J. Cook, F. García Martínez, B. Lemmelijn, M. Vervenne (eds), 229–250. Bibliotheca Ephemeridum Theologicarum Lovaniensium 213. Leuven: Peeters.
  • Nida, E.A., en C.R. Taber. 1974. The Theory and practice of translation. Leiden: E.J. Brill.
  • Robinson, Douglas. 2000. ‘Sacred Texts.’ In: The Oxford Guide to Literature in English Translation, Peter France (ed.), 103-107. Oxford: Oxford University Press.