De vertaalrelevante tekstanalysemodellen van Hönig en Nord in het kort

Geplaatst op: 02 oktober 2020

In zijn artikel ‘Vertalen tussen reflex en reflectie’ uit 1986 noemt Hans G. Hönig het vertaalproces een samenspel van taalkundige reflexen en methodische reflectie. ‘Bijna automatisch’, en al bij het lezen van de brontekst, dienen de formuleringen uit de moedertaal zich aan. Als deze reflex duidelijk niet bruikbaar blijkt of uitblijft, reflecteert de vertaler (129). Dit omschakelproces wordt gestuurd door zijn observerende bewustzijn en net zo vaak herhaald totdat deze dialoog van de vertaler met zichzelf tot een definitieve oplossing leidt. Maar definitief betekent niet optimaal; er kan alsnog een objectieve vertaalfout zijn gemaakt.

Hönig wijt zo’n fout aan een aantal mogelijke oorzaken: een gebrekkige competentie van de moedertaal (de vertaler heeft niet door dat hij een regel in de doeltaal overtreedt of een verkeerde taalvariant heeft gekozen), onderdrukking van het observerende bewustzijn (bijvoorbeeld vanwege tijdsdruk of ontbrekende motivatie) of een gebrekkige vertaalcompetentie (de vertaler is het niet gewend zo met zichzelf in dialoog te gaan).

Hönig neemt een vierde, vaak genoemde oorzaak voor zulke fouten niet in zijn lijstje op: gebrekkige competentie van de vreemde taal. Hij verklaart het weglaten daarvan als volgt: taalcompetentie kan überhaupt nooit volmaakt zijn en al helemaal die van de vreemde taal moet altijd als gebrekkig worden gezien. Bovendien verschilt zulke competentie volgens hem per brontekst: ‘Het is dus heel goed mogelijk dat deze competentie van dezelfde vertaler voor de ene tekst wel toereikend is, maar voor de andere niet’ (130). Daarom is een essentieel onderdeel van de vertaalcompetentie van de vertaler dat hij weet in te schatten of zijn taalkundige (communicatieve en culturele) competentie volstaat voor de tekst in kwestie, of dat deze moet worden aangevuld (en dat hij in dat geval ook weet wáár en hóé). Om dat te kunnen inschatten, moet een vertaalrelevante tekstanalyse worden gemaakt, een doelgerichte reflectie die voorafgaat aan de vertaling en het door reflexen bepaalde vertalen stuurt.

Functionaliteit

Sleutelwoord bij het maken van de tekstanalyse is de specificatie ‘vertaalrelevant’. Om te kunnen bepalen wat relevant is voor de vertaling, moet eerst de functie van de doeltekst worden gedefinieerd. In dit opzicht zet Hönig zich af tegen eerdere vertaalrelevante tekstanalysemodellen die, doordat er wordt uitgegaan van wat er in de brontekst wordt vermeld en hoe dat is bedoeld, zijn gebaseerd op een absolute maar ondefinieerbare opvatting van ‘tekstbegrip’.

Het model van Hönig

Situering van de tekst

Nadat de functie van de doeltekst is vastgesteld, wordt de brontekst gesitueerd. Alle relevante informatie die nog voor de nauwkeurige lezing te achterhalen valt, zoals de publicatiedatum, in welke sociocultuur de tekst verschijnt, het medium, de doelgroep en de taak die het medium zichzelf stelt, wordt in kaart gebracht. Aan de hand daarvan stelt de vertaler vragen aan de tekst die relevant kunnen zijn voor de vertaalstrategie. In het voorbeeld dat Hönig gebruikt, blijkt uit de taakstelling van het medium dat de schrijfster verschillende zenderrollen op zich zou kunnen nemen. Daarom stelt Hönig hier de volgende vraag: ‘Wie spreekt waar – en waarom juist hij?’

Vertaalrelevante tekstdimensies

Vervolgens worden de vertaalrelevante tekstdimensies in kaart gebracht. Deze dimensies komen voort uit de antwoorden die bij de situering van de brontekst naar boven zijn gekomen. Hönig doet dat aan de hand van de vraag ‘waar gaat de tekst over en waarom is hij op deze manier geschreven?’ In zijn voorbeeldtekst over euthanasievraagstukken blijkt de schrijfster twee zenderrollen te vervullen, die van deskundige en die van moralist, dus een van zijn vragen luidt: ‘Wanneer is de deskundige aan het woord en wanneer de moralist?’ Door de tekstdelen toe te schrijven aan de dimensies deskundig en moralistisch, ontstaat een tekstprofiel dat dient als kader waarbinnen de taalkundige reflexen moeten manoeuvreren. Met andere woorden: de vertaaloplossingen die zich aandienen moeten aansluiten bij de zenderrol in kwestie.

In een kort terzijde stelt Hönig dat de tot nu toe opgedane inzichten op nog een andere manier waardevol kunnen zijn: inmiddels is de vertaler in staat snel en precies informatie over de tekst te verstrekken, wat nuttig kan zijn in de interactie met potentiële opdrachtgevers.

Vertaaleenheden

In deze derde fase begint het daadwerkelijke vertalen. Het doel is om ‘alle aspecten van de tekst te verduidelijken met het oog op het doel van de vertaling’ (135). De opdracht staat hierbij dus centraal en dat blijkt ook uit de vraag die Hönig hier stelt: ‘Wat moet hier vertaald worden?’ Op basis van deze vraag wordt de tekst verdeeld in vertaaleenheden. Dit is de fase waarin het woordenboek en andere naslagwerken worden geraadpleegd en de vertaler leert op welke gebieden de vertaalcompetentie voor juist deze brontekst nog tekortschiet. Zodra die is aangevuld, kan de vertaler eventuele tekortkomingen doelgericht verhelpen.

Toepasbaarheid

Hönig erkent dat zijn voorbeeldmodel niet voor alle tekstsoorten geschikt zal zijn: ‘Het naar voren brengen van tekstdimensies door middel van twee zenderrollen zal vooral bij die tekstsoorten mogelijk zijn waarin een bepaald thema argumentatief wordt behandeld’ (141). In de eerste plaats wil hij met zijn model benadrukken dat de tekstanalyse moet worden georiënteerd op de behoeften van de vertaler, in plaats van alleen op de brontekst.

 

Het model van Nord

In de inleiding van ‘Tekstanalyse en de moeilijkheidsgraad van een vertaling’ uit 1999 onderschrijft ook Christiane Nord het belang van een analyse van de brontekst, maar net als Hönig zet zij zich af tegen op equivalentie gerichte benaderingen. Nord legt de nadruk op het realiseren van een functioneel (vertaalrelevant) doeltekstprofiel.

Pragmatische vragenschema’s

In de loop van de jaren tachtig hebben Nord, Hönig en andere vertaalwetenschappers de zogeheten Lasswellformule (‘Who says what in which channel to whom with what effect?’), die aan verschillende tekstanalysemodellen ten grondslag ligt, uitgebreid (145). Na een hele reeks toevoegingen luidt de uitvoerigste versie: ‘Wie schrijft met welk doel aan wie door middel van welk medium waar wanneer waarom een tekst met welke functie? Waarover zegt hij wat (en wat niet) in welke volgorde, met gebruikmaking van welke non-verbale elementen, met wat voor woorden, in wat voor zinnen op welke toon met welk effect?’ (146). De antwoorden op deze vraag zijn de leidraad voor verschillende functionele brontekstanalysemodellen.

Brontekstanalyse en doeltekstfunctie

In het artikel in Denken over vertalen legt Nord nog sterker de nadruk op de functionele benadering, door in de vraagstelling uit te gaan van de beoogde doeltekst. Ze vormt de vraag hierboven om tot ‘wie heeft de opdracht om met welk doel aan wie wanneer waar en waarom een tekst met welke functie over te brengen? Waarover moet hij wat (en wat niet) in welke volgorde, met gebruikmaking van welke non-verbale middelen, met welke woorden, in wat voor zinnen, op wat voor toon, met welk effect zeggen?’ (ibid.).

Nadat het doeltekstprofiel is opgesteld, wordt de brontekst volgens hetzelfde schema geanalyseerd. Daarna wordt er een vergelijking gemaakt tussen deze twee ‘toestanden’ – het beoogde doeltekstprofiel is de ‘gewenste toestand’; de antwoorden met betrekking tot de brontekst vormen de ‘werkelijke’ toestand – zodat de passages aan het licht komen waarin zich de zogeheten vertaalproblemen voordoen.

Identificatie vertaalproblemen

Nord onderscheidt vier verschillende soorten vertaalprobleem: pragmatische, cultuurspecifieke, talenpaarspecifieke en tekstspecifieke. Pragmatische vertaalproblemen worden veroorzaakt door verschillen in de communicatieve situaties van de bron- en doeltekst. Eenvoudig gezegd komen deze neer op verschillen in voorkennis: de brontekstauteur gaat uit van bepaalde kennis van de brontekstlezer, maar die is mogelijk minder vanzelfsprekend voor de doeltekstlezer – denk hierbij aan een tijdsindicator zoals ‘gisteren’ in een krantenartikel dat op een later tijdstip wordt vertaald. Cultuurspecifieke vertaalproblemen komen eveneens voort uit verschillen tussen de bron- en doelcultuur, maar berusten op conventies. Vaak kunnen cultuurspecifieke vertaalproblemen worden ‘geconverteerd’. Het gaat dan bijvoorbeeld om maateenheden, beleefdheidsconventies en (wettelijke) normen met betrekking tot de vorm van een tekst. Talenpaarspecifieke problemen worden veroorzaakt door structurele verschillen tussen de bron- en doeltaal, bijvoorbeeld door grammaticale constructies die in de ene taal wel gangbaar zijn maar in de andere niet of nauwelijks voorkomen. Ten slotte zijn tekstspecifieke vertaalproblemen uniek aan de te vertalen tekst, zoals stilistische idiosyncrasieën, woordspelingen en taalspellen.

Nord noemt de vertaalproblemen bewust in deze volgorde, omdat dit een top-down-analyse van de tekst mogelijk maakt. De brede pragmatische vertaalproblemen bestaan op het macroniveau, de tekstspecifieke vertaalproblemen op het talige microniveau en daartussenin liggen de cultuur- en talenpaargebonden vertaalproblemen. Dankzij een dergelijke benadering worden ‘veel vertaalproblemen die specifiek zijn voor een talenpaar […] als het ware vanzelf opgelost als de pragmatische omstandigheden of de conventies toch al bepaalde formuleringen uitsluiten’ (147).

Functionele vertaaleenheden

Ook bij de segmentatie van de te vertalen tekst in vertaaleenheden gaat Nord uit van de vergelijking tussen het doeltekstprofiel en de brontekstanalyse: ‘[door deze vergelijking] worden met het oog op de doeltekstfunctie de “vertaalrelevante brontekstelementen” of “-kenmerken” geïsoleerd’ (148). Een bijkomstig voordeel van deze aanpak is dat duidelijk wordt hoe tekstfuncties in verschillende culturen verschillend gestalte krijgen. Nord noemt hierbij standaardformuleringen in bijvoorbeeld recepten of studieboeken als voorbeeld. Ook noemt zij ironie: een ironische toon wordt bewerkstelligd door allerlei tekstkenmerken – inhoudelijke, syntactische, lexicale, enzovoort – die in verschillende culturen verschillende gestalten aannemen. Wanneer deze optelsom inzichtelijk is gemaakt, is de vertaler volgens Nord vrij om ‘binnen de mogelijkheden van de doelcultuur en -taal zelfstandig en doelgericht [te] beslissen over vorm, frequentie en distributie van de functionele eenheden. Daarbij is de vertaler niet slaafs gebonden aan de brontekst’ (149). Tegelijkertijd beschikt hij wel over duidelijke aanwijzingen voor in de vertaalpraktijk.

Nord sluit dit deel af door te zeggen dat ze begrijpt dat een exhaustieve tekstanalyse in de praktijk vaak wordt afgewezen omdat die te veel tijd zou kosten, maar brengt daar tegenin dat veel vertaalfouten worden voorkomen wanneer de vertaler alert is (geworden) op functioneel-relevante vertaalproblemen. Deze fouten komen namelijk voort uit vertaalproblemen die de vertaler in kwestie best had kunnen oplossen, maar die simpelweg niet zijn opgemerkt. Het opmerken van vertaalproblemen en het voorkomen van dit soort fouten, zegt Nord, is ‘aanzienlijk efficiënter dan de verbetering van fouten’ (149).

De moeilijkheidsgraad van een vertaling

In het tweede deel behandelt Nord de moeilijkheidsgraad van een vertaling. De moeilijkheidsgraad is een belangrijke factor bij het evalueren van een vertaling, dus een gedegen manier om die vast te stellen is op verschillende manieren waardevol in de praktijk, bijvoorbeeld in het vertaalonderwijs. Aan de hand van de moeilijkheidsgraad van verschillende vertaalopdrachten kan de leercurve vooraf worden uitgestippeld en kan bovendien het leerproces gaandeweg in kaart worden gebracht.

De moeilijkheidsgraad wordt bepaald door allerlei factoren, die Nord verdeelt over drie vertaalfasen. In de tekstanalysefase doen zich brontekstgerelateerde vertaalmoeilijkheden voor, bijvoorbeeld wanneer het tekstbegrip bemoeilijkt wordt door complexe talige structuren of een abstract thema. Hoe meer tekstexterne kennis over de brontekst beschikbaar is, hoe kleiner de invloed van deze moeilijkheden. Doeltekstgerelateerde moeilijkheden dienen zich aan in de synthesefase, waarin invulling wordt gegeven aan hoe de doeltekst eruit moet komen te zien. Als voorbeelden noemt Nord hier een vage formulering van de vertaalopdracht of heel hoge eisen aan de taal of de vorm van de doeltekst. Tot slot komen tijdens het eigenlijke vertalen transfergerelateerde moeilijkheden naar voren. Voorbeelden daarvan zijn factoren zoals de frequentie en complexiteit van de eerder in kaart gebrachte vertaalproblemen, maar ook de randvoorwaarden, zoals een korte deadline of slechte beschikbaarheid van naslagwerken. ‘Hoe zwaar [deze moeilijkheden] doorwegen hangt altijd van de vertaler af,’ stelt Nord (150). Samen maken de andere drie categorieën een objectieve vaststelling van de moeilijkheidsgraad mogelijk, waarbij Nord dus niet alleen uitgaat van de brontekst, maar waarbij ook de formulering van de vertaalopdracht, de geïdentificeerde vertaalproblemen en de randvoorwaarden bij het vertalen van doorslaggevend belang zijn.

 

Hans G. Hönig. ‘Vertalen tussen reflex en reflectie. Een model voor vertaalrelevante tekstanalyse.’ Vertaling Marijke Castel. In: Ed. Naaijkens et al., Denken over vertalen. Nijmegen: Vantilt, 2010. 129-144.

Christiane Nord. ‘Tekstanalyse en de moeilijkheidsgraad van een vertaling.’ Vertaling Cornelie van Rinsum en Henri Bloemen. In: Ed. Naaijkens et al., Denken over vertalen. Nijmegen: Vantilt, 2010. 145-152.