De beoordeling van de vertaling

In het eerste hoofdstuk van dit boek is al ter sprake gekomen dat Nederland en Vlaanderen beschikken over een, vanuit buitenlands perspectief gezien, jaloersmakende vertaalinfrastructuur.[1] Er wordt veel vertaalde literatuur uitgebracht en uitgevers betalen in vergelijking met andere landen redelijke honoraria. Uniek is dat de vertaler ook nog eens subsidies kan aanvragen, als de literaire kwaliteit van de brontekst en de kwaliteit van de vertaler daartoe aanleiding geven.

De subsidieregelingen worden uitgevoerd door de letterenfondsen, het Nederlands Letterenfonds en het Vlaams Fonds voor de Letteren. Op de websites van de beide fondsen is de toepasselijke regeling te vinden. De subsidies zijn werkbeurzen en moeten dus vooraf worden aangevraagd. 

Zoals gezegd is de toekenning van subsidie afhankelijk van de kwaliteit van brontekst en vertaler. Dat roept onmiddellijk vragen op. Wie beoordeelt die kwaliteit, op welke manier en met welke maatstaven? En als diegene niet dezelfde literaire smaak of vertaalopvatting heeft, is het oordeel dan automatisch negatief? Auteurs en vertalers die voor het eerst aanvragen hebben vaak het gevoel dat ze hun geesteskind, waaraan ze maandenlang zo hard hebben gewerkt en waarover ze als geen ander hebben nagedacht, onderwerpen aan een snel en subjectief, en om die reden waarschijnlijk niet billijk oordeel. In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe aanvragen worden behandeld en vooral hoe de vertaalkwaliteit wordt beoordeeld. De beoordeling van literaire kwaliteit komt zijdelings ter sprake. 

Om te beginnen een advies: lees de regelingen goed door. Wat wordt met de regeling beoogd, hoe wordt ze uitgevoerd, op welke manier moeten de letterenfondsen verantwoording afleggen over de uitvoering? Het is belangrijk te bedenken dat beide fondsen bij wet verplicht zijn hun taak ten opzichte van jou, de aanvrager, integer en onpartijdig uit te voeren, maar dat ze er tegelijkertijd voor moeten zorgen dat de subsidies rechtmatig worden verstrekt. De fondsen moeten kunnen verantwoorden, naar de vertaler en naar de overheid, waarom de ene aanvraag wordt afgewezen en de andere toegekend, waarom de ene vertaler een hoger bedrag krijgt dan de andere. Daarom is transparantie voor de fondsen bijzonder belangrijk. Zowel aan een expert als aan een leek moet duidelijk te maken zijn om welke redenen een subsidie wel of niet wordt toegekend. 

Vertaalkwaliteit beoordelen is vanouds een heet hangijzer. Beoordelen is (nog steeds) mensenwerk en het is maar de vraag of een beoordelaar zijn eigen smaak, voorkeuren en vooroordelen kan uitschakelen om tot een voldoende objectief oordeel te komen. Een beoordeling door één persoon kan alleen dan betrouwbaar (objectief en reproduceerbaar) zijn, als er een uitgebreide beschrijving is van de te hanteren criteria. Die breed gedragen beschrijving, een beschrijving waarover alle literair vertalers en andere experts het eens zijn, bestaat niet. 

De oplossing die de fondsen hebben gevonden om de beoordeling van vertalingen voldoende transparant te laten zijn, rust op drie pijlers. Om te beginnen zijn er twee principes: collegiale toetsing en intersubjectiviteit.

Met collegiale toetsing wordt bedoeld dat bij de beoordeling experts uit het werkveld worden ingeschakeld, dat wil zeggen, vertalers en andere literatoren. De te beoordelen vertaling wordt niet ‘gescoord’ door een ambtenaar die met hetzelfde gemak vertaalsubsidies als melkquota vaststelt, maar wordt gelezen en beoordeeld door een collega, door iemand die dezelfde waarde als jij hecht aan de kwaliteit van de vertaling. Een collega die weet hoe een vertaling tot stand komt, die bloed, zweet en tranen kan herkennen en die uit ervaring weet waar vertaalproblemen in schuilen. 

Het tweede principe, intersubjectiviteit, houdt in dat een vertaling nooit door slechts één persoon wordt beoordeeld. Er zijn altijd meerdere collega’s bij betrokken en hun meningen worden door een adviescommissie met elkaar vergeleken. Door met meerdere beoordelaars te werken, worden vooroordelen en afwijkende meningen geneutraliseerd. 

De derde en misschien belangrijkste pijler onder de beoordelingsprocedure is dat de ingeschakelde collega’s en experts moeten verantwoorden welke criteria ze hebben gehanteerd. Bij ontstentenis van een algemeen geldende beschrijving wordt de beoordelaar aan de hand van een formulier gevraagd een oordeel te geven over verschillende aspecten van de vertaling. De beoordelaar moet met voorbeelden uit brontekst en vertaling beargumenteren waarom het oordeel over een bepaald aspect positief of negatief is. Zo kan de beoordelaar niet zonder meer stellen dat de vertaler ‘onhandig met realia is omgegaan’. Een dergelijke vaststelling moet worden toegelicht en beargumenteerd, waarbij de beoordelaar moet aangeven wat wel ‘handig’ zou zijn geweest. Op dezelfde manier komt de beoordelaar er niet mee weg te schrijven dat ‘de stijl van de brontekst geweld is aangedaan in de vertaling’. In dat geval moet worden omschreven wat volgens de beoordelaar kenmerkend is voor de stijl en moeten voorbeelden worden gegeven die aantonen dat die kenmerken in de vertaling niet terugkomen. De adviescommissie kan, door de beoordelaars te vragen hun oordeel uitgebreid te beargumenteren, bepalen of er billijk is geoordeeld en later kan het fonds afdoende verantwoorden of de toekenning of afwijzing rechtmatig is geweest. 

Er zijn nog twee elementen van de beoordeling onbesproken gebleven, maar voordat die aan de orde kunnen komen, moet eerst de aanvraagprocedure worden behandeld. 

Voor de vertaler begint het allemaal nadat de eerste (Nederland) of de tweede (Vlaanderen) literaire vertaling in boekvorm is gepubliceerd bij een reguliere uitgever. Vanaf dat moment kan voor een volgende vertaling een projectsubsidie of, zoals het in Vlaanderen heet, een projectbeurs worden aangevraagd. Er is nog een vereiste, namelijk dat de genoemde vertalingen tot stand zijn gekomen met een zogenaamd modelcontract. Dat contract is een afspraak tussen de uitgevers en de belangenorganisaties van vertalers en voorziet, onder meer, in een minimumhonorering voor de vertaler en in royalty’s bij een bepaald aantal verkochte exemplaren. Bij de aanvraag kan in eerste instantie worden volstaan met een intentieverklaring, maar later moet het contract worden ingezonden. 

Om aan te vragen kan de vertaler het aanvraagformulier van de site van het Nederlands Letterenfonds of het Vlaams Fonds voor de Letteren downloaden. Het formulier omvat vragen over de aanvrager, zoals hoeveel en welke vertalingen van zijn hand zijn gepubliceerd, over eventueel eerder verstrekte subsidies (stimuleringsbeurzen en dergelijke) en vooral over het vertaalproject. Zo moet de vertaler een motivering van de aanvraag schrijven, waarin het werk wordt belicht. De vertaler moet duidelijk maken waarom vertaling van dit werk belangrijk is voor Nederlandstalige lezers, voor het literaire landschap in Nederland en/of Vlaanderen. 

De motivering moet inzicht geven in de literaire kwaliteit van het werk en in de moeilijkheidsgraad van de vertaling. Als de vertaling moeilijker dan gemiddeld is, kan de vertaler een hogere subsidie worden toegekend. Wanneer is een vertaling moeilijk? Ook hier geldt dat moet worden beargumenteerd waarin de specifieke moeilijkheden schuilen. 

In Nederland kan in sommige gevallen het subsidiebedrag nog verder worden verhoogd, bijvoorbeeld als de vertaler een voor- of nawoord schrijft, of als de vertaler extra werk heeft aan de selectie of editie van de tekst. 

Het is aan te raden ruim de tijd te nemen om het aanvraagformulier in te vullen. Er hangt voor de vertaler veel vanaf en een goedverzorgde aanvraag, die van alle informatie en bijlagen is voorzien, wordt sneller afgehandeld dan eentje die is afgeraffeld. 

Wanneer de aanvraag bij het fonds (bij een van de fondsen) binnenkomt, wordt eerst naar de ontvankelijkheid gekeken. Is de aanvraag compleet, kloppen de gegevens, is er een modelcontract, zijn de gevraagde exemplaren van de brontekst meegestuurd en is de aanvrager bekend? In Vlaanderen moet bovendien een fragmentvertaling, voorzien van een toelichting, worden aangeleverd. Als alles klopt, wordt de beoordeling in gang gezet. 

Nu komen de literaire kwaliteit en de moeilijkheidsgraad aan de beurt. De fondsmedewerkers sturen exemplaren van de brontekst aan externe beoordelaars, met de vraag het werk kort te beschrijven, te plaatsen in de literaire of culturele traditie van de broncultuur en weer te geven hoe het werk daar is ontvangen. Voor de literaire kwaliteit kunnen de beoordelaars kijken naar vormaspecten en inhoudsaspecten, zoals vertelperspectief, plot, stijl, taalgebruik, klank of zeggingskracht. Al deze elementen leiden tot een waardering, een typering van het literaire werk op een schaal van zeer goed tot slecht. 

Voor het bepalen van de moeilijkheidsgraad kunnen de beoordelaars gebruikmaken van een groot aantal aspecten, die niet alleen met de brontekst te maken hebben, maar uiteraard ook met culturele, taalkundige en literaire verschillen tussen bron- en doeltaal. Het Nederlandse formulier geeft als geheugensteuntje een korte checklist, met steekwoorden als inventiviteit, kernbegrippen, registerverschillen, klankeffecten en realia. 

De vertaalvaardigheid van iemand die voor het eerst aanvraagt wordt altijd beoordeeld, ook weer anoniem en door externe experts, zoals gezegd meestal collega-vertalers. Daarvoor kijkt de beoordelaar naar een twintigtal bladzijden uit de vorige vertaling van de aanvrager, vergelijkt de vertaling met het origineel en geeft met het eerder beschreven formulier een oordeel: goed, voldoende, onvoldoende, slecht. 

Voor de beoordelaars is het goed te weten dat hun oordeel slechts een onderdeel is van de totale weging. Het is niet zo dat de beoordelaar direct beslist over het toekennen of afwijzen van de aanvraag. Die verantwoordelijkheid ligt bij de fondsen. 

Er is nog een laatste element dat in aanmerking wordt genomen, namelijk het track record van de aanvrager. Daarmee wordt alles bedoeld wat bij het fonds bekend is van de aanvrager: aantallen vertalingen, taalcombinaties, eerdere beoordelingen, eerdere toekenningen en andere gegevens. 

Op een gegeven moment worden alle beoordelingen en andere stukken bij het fonds bij elkaar gevoegd en gaat het hele, inmiddels zeer forse dossier naar de adviescommissie. De commissie gaat na of de beoordelingen met elkaar stroken, of de beoordelingen billijk zijn en of er met de voorliggende informatie een beslissing kan worden genomen over de aanvraag. Als alles compleet en duidelijk is, geeft de commissie een advies aan het desbetreffende fonds, om wel of niet toe te kennen en of er reden is het standaardbedrag te verhogen. Het fonds neemt dit advies vrijwel altijd over. 

De behandeling van een subsidieaanvraag is een complex en tijdrovend proces, waarbij veel mensen betrokken zijn. Alle betrokkenen, fondsmedewerkers en externe deskundigen, zijn zich terdege bewust van, en hebben vaak persoonlijke ervaring met de grote rol die subsidiëring speelt in de financiële huishouding van vertalers. 

Het moge duidelijk zijn dat de fondsen een lastige taak hebben: enerzijds moeten ze overheidsgelden rechtmatig besteden en daarover gepast verantwoording afleggen, en anderzijds moeten ze billijk, redelijk en met kennis van zaken oordelen over het werk van vertalers. Het zijn geen kille uitkeringsinstanties; de medewerkers hebben werkelijk hart voor de literatuur en stellen alles in het werk om vertalers bij te staan. 

Aarzel vooral niet het Nederlands Letterenfonds of het Vlaams Fonds voor de Letteren te benaderen met vragen. In dit hoofdstuk gaat het over de beoordeling, maar er zijn nog andere factoren die van invloed zijn op een aanvraag. Zo is er een inkomensgrens, kan er slechts voor een beperkt aantal vertalingen per jaar worden aangevraagd, worden meermansvertalingen (teamvertalingen) van drie of meer vertalers niet ondersteund, is er een grens aan het aantal jaren dat een onuitgegeven vertaling in beschouwing wordt genomen en zo zijn er meer beperkingen en nadere regels. En er zijn voor beginnende vertalers nog andere subsidiemogelijkheden. 

Het fonds en de vertaler zijn partners die hetzelfde doel nastreven, namelijk verrijking van het literaire aanbod met kwalitatief hoogstaande vertalingen. De relatie tussen fonds en vertaler hoort een samenwerking te zijn. Juist daarom laten ervaren vertalers zich graag inschakelen als externe beoordelaar. Het is immers voor iedereen beter als het de beroepsgroep zelf is die bepaalt wat de standaard is. Via lidmaatschap van adviescommissies en ad-hocoptredens als extern adviseur, hebben vertalers invloed op de subsidiëring. Ook dit maakt onze vertaalinfrastructuur uniek in de wereld. 

1 Zie hoofdstuk 1.1. 

Categorieen
Naslag
ELV publicaties