Equivalentie in de vertaalpraktijk en de vertaalstudie

De term equivalentie is zonder twijfel een van de meest centrale, maar tegelijkertijd ook een van de meest gecontesteerde termen in het spreken over vertalen.

1. Norm en begrip 

De term equivalentie is zonder twijfel een van de meest centrale, maar tegelijkertijd ook een van de meest gecontesteerde termen in het spreken over vertalen. Om die dubbelzinnige situatie goed te begrijpen is het zinvol om binnen de term een onderscheid te maken tussen equivalentie als norm voor de vertaalpraktijk en equivalentie als vertaalwetenschappelijke begrip. Op beide velden – de vertaalpraktijk en het vertaalonderzoek – doorloopt de term een parcours van acceptatie en vervolgens problematisering, maar dat parcours kent in beide gevallen een ander verloop. 

Vanaf de eerste vormen van het spreken over vertalen tot op de dag van vandaag geldt ‘equivalentie’ als een norm die de vertaalpraktijk stuurt: vanaf de eerste vertalingen die ertoe doen (de facto waren dat Bijbelvertalingen) werd van een vertaling verwacht dat ze op de een of de andere manier een gelijkwaardige weergave van het origineel was; en ook vandaag is de eerste reflex van vertalers het zoeken naar een zo equivalent mogelijke weergave van ‘wat er staat’. Tegelijkertijd ervaart elke vertaler dat een volledig gelijkwaardige weergave een quasi onmogelijke opgave is. In de vertaalpraktijk mag men daarom spreken van een spanningsvolle verhouding ten aanzien van de norm ‘equivalentie’: men houdt eraan vast ondanks zijn praktische onrealiseerbaarheid. 

In de beginperiode van het wetenschappelijk vertaalonderzoek – eind jaren vijftig van de twintigste eeuw – was het begrip ‘equivalentie’ nog min of meer vanzelfsprekend. De eigenlijke begripsgeschiedenis van ‘equivalentie’ begint pas rond die tijd, al bestond de idee van gelijkwaardigheid al veel langer. In de linguïstisch georiënteerde vertaalwetenschap diende ‘equivalentie’ als begrip om de relatie tussen origineel en vertaling te beschrijven, waarbij de ‘waarde’ van het origineel als maatstaf gold voor de ‘waarde’ van de vertaling. Vond in de vertaalpraktijk de problematisering van ‘equivalentie’ zijn oorsprong in de ervaren onmogelijkheid ervan, zo werd in het vertaalonderzoek eigenlijk vanaf de introductie van het begrip het problematische karakter ervan mee ingevoerd. Roman Jakobson, een van de grondleggers van het linguïstisch vertaalonderzoek, besluit in zijn “On Linguistic Aspects of Translation” (2004/1959) dat de equivalente weergave van een tekst problematisch, ja onmogelijk wordt zodra de talige vorm van de mededeling poëtische eigenschappen krijgt. Poëzie is volgens Jakobson onvertaalbaar – in de zin van vertaling als (betekenis-)equivalente weergave. Vanaf de jaren 70, in het descriptieve vertaalonderzoek, werd ‘equivalentie’ uit zijn centrale theoretische positie verdrongen en vervangen door het begrip ‘verschuiving’ of shift, dat geschikter geacht werd om de relatie origineel-vertaling te beschrijven. Die belangrijke paradigmawisseling betekent in feite de erkenning van de andersheid van een vertaling. Het afscheid van ‘equivalentie’ als begrip in de vertaalwetenschap heeft zich vooral voltrokken in het onderzoek naar de vertaling van niet-literaire teksten. In het literaire vertaaldiscours of in het spreken over de vertaling van zogenaamde ‘gevoelige teksten’ (Simms 1997) vindt het begrip tot op de dag van vandaag wel nog voorspraak, zij het vaak impliciet of onder andere benamingen. 

In het Petra-E-referentiekader voor de opleiding van literair vertalers komt het begrip ‘equivalentie’ niet meer voor, maar dat betekent niet dat ‘equivalentie’ als norm bij het ‘produceren van een doeltekst’ (Petra-E) uitgediend heeft. In het modelcontract voor literaire vertalingen, dat door de literaire fondsen in Nederland en Vlaanderen gehanteerd wordt, is wel nog sprake van een ‘adequate weergave’ van een brontekst – een van de synoniemen van ‘equivalentie’. 

In wat volgt willen we ingaan op ‘equivalentie’ als norm voor de vertaalpraktijk: waarom wordt van een vertaling verwacht dat ze equivalent is aan haar origineel en welke vormen van equivalentie hebben zich daarbij (ook historisch) ontwikkeld? In een tweede deel behandelen we het begrip ‘equivalentie’ in het vertaalonderzoek. We eindigen met een overzicht van de overlevingsvormen van ‘equivalentie’ op het snijvlak tussen norm en begrip. 

2. Funderingen en vormen van equivalentie 

Identiteit en formele equivalentie 

De idee dat een vertaling een precieze weergave van een anderstalige tekst dient te zijn is dus zo oud als het vertalen zelf. In het historisch vertaaldiscours figureert ‘equivalentie’ in hoofdzaak onder het synoniem ‘trouw’, maar ook onder termen als ‘weergave’, ‘gelijkenis’, ‘nabootsing’, ‘kopie’, ‘overeenkomst’ e.a. Het metadiscours dat het praktische vertalen al meer dan 2400 jaar begeleidt, legt daar getuigenis van af. Vanuit een historisch perspectief is het zo goed als onmogelijk om over het vertalen iets zinvols te zeggen zonder daarbij terug te grijpen naar de idee van een vertaling als een tekst die ‘hetzelfde’ zegt in een andere taal. De norm ‘equivalentie’ is daarmee een centraal bestanddeel van het op identiteit gebaseerde spreken over vertalen dat eist dat een afbeelding, een kopie, een representatie of een nabootsing identiek dienen te zijn of verregaande gelijkenis dienen te vertonen met het origineel. Die eis ligt aan de oorsprong van de zogenaamde formele equivalentie, waarbij een vertaling zoveel mogelijk de formele eigenschappen van de brontekst overneemt: de volgorde van de zinsdelen, de woordsoorten, zelfs de interpunctie. De meest radicale vorm van formele equivalentie is de interlineaire vertaling of, in mildere vorm, de woord-voor-woord-vertaling. Nauw verwant aan de formele equivalentie is de linguïstische equivalentie, die zich op eenheden onder het zinsniveau richt: woorden, zinsdelen, woordgroepen en collocaties, idiomatische uitdrukkingen, hoofd- en bijzinnen. Omdat woorden meerdere betekenissen kunnen hebben en collocaties en idiomatische uitdrukkingen in verschillende talen ander linguïstisch materiaal gebruiken, heeft men hier nog verdere onderscheidingen ingevoerd, zoals de totale equivalentie (een woord voor een woord), de overrepresentatie (één woord dat door meerdere andere equivalent weergegeven wordt), de nul-vertaling (geen equivalent) en andere. 

Equivalentie als basiseis – referentiële, functionele en communicatieve equivalentie 

Equivalentie vindt mede zijn grond in de pragmatische situatie waarin vertalen zich voordoet: een lezer die de taal van het origineel niet verstaat is aangewezen op een vertaling en mag als het ware van rechtswege verwachten dat de vertaling ‘hetzelfde zegt’ als het origineel. Een vertaler zal daarom steeds proberen om aan dat vermeende recht van de lezer tegemoet te komen. Die norm ligt aan de oorsprong van de zogenaamde referentiële of denotatieve equivalentie, waarbij in brontaal en doeltaal naar dezelfde referent in de werkelijkheid verwezen wordt. Maar hij vormt evenzeer het uitgangspunt voor enkele hedendaagse equivalentie-opvattingen zoals de functionele equivalentie en de communicatieve equivalentie. Bij de functionele equivalentie wordt eerst de functie van een brontekst of een passage bepaald en vervolgens wordt in de doeltaal, desgevallend met heel ander taalmateriaal, een tekst met dezelfde functie opgesteld. Communicatieve equivalentie is gericht op de transfer van de inhoudelijke betekenis van een boodschap. Dat is uiteraard een basisnorm van het vertalen, maar tegenwoordig spelen daarin ook culturele en ideologische factoren een belangrijke rol: een linguïstisch equivalente boodschap hoeft nog lang geen communicatief equivalente boodschap te zijn. Zowel de functionele als de communicatieve equivalentie verwijderen zich van het puur talige en grijpen naar ‘afwijkende’ formuleringen wanneer dat de functie of de communicatie ten goede komt. Hiervoor wordt tegenwoordig ook wel de term ‘transcreatie’ gebruikt. 

Equivalentie en de status van de tekst – formele vs. dynamische equivalentie 

Een derde fundering van ‘equivalentie’ is te vinden in de status van het origineel: hoe hoger de status van een brontekst, hoe absoluter de eis van equivalentie die aan een vertaling gesteld wordt. Dit is met name het geval bij de vertaling van zogenaamde ‘heilige teksten’. De geschiedenis van de Bijbelvertaling bewijst dat: als de Bijbel ‘Gods woord’ is, dan kunnen aan de vertaling daarvan alleen maar de allerhoogste eisen gesteld worden. Wil een vertaling eveneens ‘Gods woord’ zijn, dan kan dat alleen als ze de perfecte afbeelding ervan is. Het christendom is die vertaaluitdaging aangegaan. Dat heeft aan de ene kant geleid tot heel strikte vormen van vertaling, waarbij woordvolgorde en concordantie in hoge mate gerespecteerd dienden te worden. Equivalentie werd hier gegarandeerd door verregaande letterlijkheid, wat de verstaanbaarheid niet zonder meer ten goede kwam. Aan de andere kant ontsnapte ook de Bijbelvertaling niet aan de vertalerservaring dat absolute equivalentie niet te bewerkstelligen is; die ervaring werd lange tijd geëscamoteerd doordat aan vertalingen de status van origineel verleend werd. De zogenaamde ‘Vulgaat’, de Latijnse vertaling van de Bijbel door Hiëronymus, diende katholieke bijbelvertalers tot in de twintigste eeuw als brontekst, want op het Concilie van Trente in 1546 was die tot origineel, dus tot totaal equivalente tekst, verklaard. In de protestantse wereld gold de Statenvertaling (1637) als ‘Gods woord in het Nederlands’ dat niet door een andere vertaling vervangen kon worden. 

Er zijn heel wat parallellen tussen Bijbelvertalen en literair vertalen; in beide gevallen gaat het om de vertaling van ‘gevoelige teksten’ (Simms 1997), en dan speelt de zorgvuldigheid in de realisatie van equivalentie een belangrijke rol. De belangrijkste bijdrage van de Bijbelvertaling in de equivalentiediscussie is de verschuiving van de formele equivalentie naar de zogenaamde dynamische equivalentie (Nida 1964), waarbij het erom ging in de doeltaal ‘het meest natuurlijke equivalent’ te realiseren. 

Historische varianten van de equivalentienorm 

De eis dat er een relatie van equivalentie tussen brontekst en vertaling dient te zijn is een constante in de geschiedenis van het vertalen. Niettemin heeft die eis in de loop van de geschiedenis verschillende gedaantes aangenomen. Zo wordt over de Septuagint, de Griekse vertaling van de eerste vijf Bijbelboeken uit de derde eeuw voor Christus, de mythe verteld dat 72 vertalers elk apart aan de vertaling gewerkt zouden hebben en dat ze na 72 dagen allemaal dezelfde vertaling afleverden, die vanwege de klaarblijkelijke goddelijke inspiratie gelijkwaardig was aan de Aramees-Hebreeuwse brontekst. Dit is een mooi voorbeeld van aangenomen equivalentie, zoals we die vandaag ook kennen in landen met tweetalige wetgevingen, waar vertalingen van wetten per decreet voor equivalent verklaard worden. 

De klassieke formulering van de equivalentienorm is te vinden bij Cicero in zijn De optimo genere oratorum (46 v. Chr.). Over zijn vertaling van de Griekse redenaars zegt hij: 

Welnu ik heb deze teksten vertaald niet zoals een gewone vertaler (‘ut interpres’), maar zoals een redenaar (‘ut orator’), met behoud van zowel de oorspronkelijke gedachten als de redekunstige figuren en de beelden, maar dan met woorden die bij ons idioom passen. Ik vond het dus niet nodig om ieder afzonderlijk woord met een eigen woord weer te geven, maar wel heb ik de stijl van alle woorden en hun betekenis behouden. Waar het voor de lezer immers op aankomt is, dacht ik, dat ik hem van de woorden niet hetzelfde aantal, maar om zo te zeggen, hetzelfde gewicht bezorg. (Vertaling: R. Van den Broeck 2010: 13) 

 

Cicero’s ‘non verbum pro verbo’ zal het vertaaldiscours eeuwenlang beïnvloeden. Niet het weergeven (‘reddere’) van het aantal woorden, maar het behoud (‘servavi’) van de stijl (‘genus’) en de betekenis (‘vim’, dus veeleer uitdrukkingskracht) in ‘woorden die bij ons idioom passen’ zorgen voor ‘hetzelfde gewicht’. Equivalentie wordt volgens Cicero niet bereikt door de woorden te tellen (‘adnumerare’), maar door het gewicht van de woorden te wegen (‘appendere’). Maar welke maat bij dat afwegen gehanteerd dient te worden, heeft de traditionele normatieve vertaaltheorie nooit weten te zeggen. 

In het spoor van Cicero licht Hiëronymus, de vertaler van de Vulgaat, in een brief aan zijn vriend Pammachius (Litterae ad Pammachium de optimo genere interpretandi) uit het jaar 395 zijn manier van vertalen toe. Hij citeert Cicero, maar brengt tegelijk een belangrijk verschil aan: 

Ik geef het immers niet alleen toe, maar kom er ook rond en openlijk voor uit: bij het vertalen van de Griekse teksten – met uitzondering van de Heilige Schrift, waar ook de volgorde der woorden een mysterie is – geef ik niet een woord met een woord, maar een gedachte met een gedachte weer (non verbum e verbo sed sensum exprimere de sensu). (Vertaling R. Van den Broeck 2010: 13, lichtjes gewijzigd) 

 

Want, zo vervolgt hij: 

Een woord-voor-woordvertaling verhult de betekenis, zoals welig tierend onkruid de gezaaide gewassen verstikt. (...) Om een dergelijk euvel te vermijden heb ik (...) mijn heilige Antonius zo vertaald dat, al vallen de bewoordingen anders uit, de gedachten geheel tot hun recht komen. Laat anderen op lettergrepen en letters jagen; let gij echter op de gedachten. (Vertaling R. Van den Broeck 2010: 14) 

 

De dubbele onderscheiding tussen aan de ene kant de ‘Heilige tekst’ (die een letterlijk vertalen zou verlangen) en andere teksten, en aan de andere kant die tussen woorden en gedachten (of betekenissen) brengt Hieronymus in een ambivalente theoretische verhouding tot het vertalen, die bekend geworden is als de ‘paradox van de vertaler’. Hij geeft mooi aan op welke wijze de equivalentie-eis de vertaler in zijn ban houdt: “Vertaal ik woord voor woord, dan klinkt het absurd; verander ik, noodgedwongen, ook maar iets in de constructie of de formulering, dan geef ik de indruk dat ik in mijn taak als vertaler tekortschiet” (vertaling R. Van den Broeck 2010: 14). 

Vanaf de renaissance wordt een nieuw element aan de equivalentiegedachte toegevoegd: de vertaler als imitator van de kunstenaar. Een vertaler maakt niet zomaar een kopie van een werk, hij treedt in de voetsporen van de kunstenaar en imiteert in zijn eigen taal de schrijfhouding van de auteur. Dat die imitatie tegelijk een transformatie inhoudt wordt niet als nadeel, maar als bewijs van eigen kunstenaarschap gezien. Equivalentie krijgt de vorm van een geslaagde imitatie. Vanaf dan ontwikkelen zich eigen nationale vertaalstijlen, het meest uitgesproken in Frankrijk, waar onder invloed van theoretici als Etienne Dolet (1546: La manière de bien traduire d’une langue en aultre) en Joachim du Bellay (1549: Deffence et illustration de la langue françoyse) de gedachte van vertaling als imitatie tot in het extreem doorgetrokken wordt. Een vertaling is een vrije imitatie die volledig schatplichtig is aan de stijl en de eigenschappen van de doeltaal. De vertalingen die op grond van deze vertaalstijl tot stand kwamen zijn bekend geworden als ‘les belles infidèles’: vertalingen waren ofwel mooi en ontrouw of trouw en lelijk. Dat zulke vertalingen in belangrijke mate afweken van het origineel betekent echter niet dat ze de idee van equivalentie opgegeven hadden, integendeel, er werd een nieuw aspect aan de idee van equivalentie toegevoegd: de gelijkheid van effect. Vertalingen moesten op hun doelpubliek hetzelfde effect uitoefenen, dezelfde betekenissen teweegbrengen als het origineel. De Wirkungsgleichheit is ook vandaag nog een vaak gehoorde stelregel. Sinds de renaissance wordt aangenomen dat equivalentie wordt gerealiseerd wanneer een vertaler erin slaagt dezelfde taal te hanteren die de auteur gesproken zou hebben als hij in de tijd van de vertaler geleefd zou hebben en de doeltaal gesproken zou hebben. De opvatting dat een vertaling als een origineel in de eigen taal te lezen moet zijn is een variant daarvan. 

Het is pas rond 1800 bij enkele theoretici van de Duitse romantiek dat er een sterke correctie op de renaissancistische en vroegmoderne aannames omtrent vertaalequivalentie doorgevoerd wordt. In 1813 zal Friedrich Schleiermacher in zijn invloedrijke lezing Über die verschiedenen Methoden des Übersetzens een belangrijke stap zetten om het vertalen aan de dominante, op identiteit gebaseerde equivalentienorm te onttrekken. Uitgaande van de taalrelativistische aanname dat talen bepalend zijn voor het denken en de waarneming van de wereld, zal Schleiermacher poneren dat de vreemdheid van de talen nooit volledig overwonnen kan worden: 

Als het erop aankomt dat zijn lezers hem (de vertaler en zijn tekst, H.B.) begrijpen, dan moeten ze de geest van de taal opnemen die in de schrijver thuis was en ze moeten zijn individuele denkwijze en manier van waarnemen kunnen volgen. Om deze beide dingen te bewerkstelligen heeft de vertaler hen niets anders te bieden dan aan de ene kant hun eigen taal, die met de andere taal nergens echt overeenkomt, en aan de andere kant zichzelf in de manier waarop hij zijn auteur nu eens meer dan weer minder duidelijk herkend heeft, hem nu eens meer dan weer minder bewondert en goedkeurt. Lijkt vertalen, wanneer men het zo beschouwt, geen waanzinnige onderneming? (Schleiermacher 2004: 45-46) 
 

Schleiermacher ziet voor het vertalen maar één oplossing: in een vertaling moet de vreemdheid van de andere taal en het unieke taalgebruik van de originele auteur door middel van een ‘mit Kunst und Maß’ toegepaste vreemdheid verschijnen. Schleiermacher introduceert een ander paradigma in het vertalen: het gaat niet meer om equivalentie of identiteit, maar om een vreemde gelijkenis (2004: 49). Met dat oxymoron installeert Schleiermacher het principe van de differentie in de vertaling: een vertaling kan niet anders dan verschillen van het origineel. Dit is de eerste ernstige kritiek op de equivalentienorm: het principe van de identiteit wordt vervangen door dat van de alteriteit. Schleiermachers denken over vertalen zal in de twintigste eeuw door invloedrijke vertalers en theoretici weer opgenomen worden, onder anderen door Walter Benjamin, Ortega y Gasset, Antoine Berman en Lawrence Venuti. De zogenaamde ‘ethical turn’ in de vertaalwetenschap beroept zich eveneens op hem. 

3. Equivalentie in het vertaalonderzoek 

Het begin van de begripsgeschiedenis van de term ‘equivalentie’ is, zoals gezegd, te situeren in het linguïstisch vertaalonderzoek van de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw. Auteurs als R. Jakobson (1959), G. Mounin (1963) en J. C. Catford (1965) benaderden het vertalen als een puur linguïstisch fenomeen: het ging om het vervangen van taalmateriaal door ander taalmateriaal. Daarbij stelde zich uiteraard de vraag naar de mogelijkheid van linguïstische equivalentie tout court: kan er identiteit bestaan tussen talig verschillende items? 

In “On Linguistic Aspects of Translation” (1959) brengt Roman Jakobson het linguïstisch uitgangspunt zo onder woorden: “Bij vertaling is dus sprake van twee equivalente boodschappen in twee verschillende codes. Equivalentie in verschil is het kernprobleem van de taal en de zaak waar het in de linguïstiek om draait” (2004: 130). Dat uitgangspunt gaf aanleiding tot het ontstaan van allerlei tweetalige lijsten met zogenaamde equivalente of liever ‘corresponderende’ paren op woord- of collocatieniveau. De Stylistique comparée du français et de l’anglais. Méthode de traduction (1958) van Vinay en Darbelnet is daar een goed voorbeeld van. Jakobson geeft toe dat “op het niveau van de interlinguale vertaling doorgaans geen volledige equivalentie bestaat” (2004: 130), maar niettemin kan er dankzij de metalinguale functie van de taal – we kunnen altijd over de taal en dus ook over het verschil tussen twee verschillende items spreken – toch een hoge mate van equivalentie bereikt worden, tenminste wat het cognitieve gehalte van taaluitingen betreft: “Alle cognitieve ervaring en de classificatie ervan zijn over te brengen in iedere willekeurige bestaande taal” (2004: 131). Zelfs als de ene taal niet over de grammaticale of lexicale middelen van een andere taal beschikt, kunnen inhouden equivalent weergegeven worden. Jakobson geeft verschillende voorbeelden daarvan. Maar hij maakt één belangrijke uitzondering: teksten met een dominante poëtische functie – teksten die de aandacht vestigen op hun eigen talige karakter, op hun materialiteit, m.a.w. poëzie – zijn onvertaalbaar. Alleen ‘creatieve transpositie’ (2004: 134) houdt hij voor mogelijk. De vraag is of hij die uitspraak ook laat gelden voor de vertaling van literair proza: ook al zal de poëtische functie in prozateksten minder intens zijn, ze blijft wel bepalend. Een literaire vertaling kan bovendien niet volstaan met de vertaling van het cognitieve gehalte van de zinnen. Jakobsons voorbeeld is sprekend: het Italiaanse ‘traduttore, traditore’ is onvertaalbaar omdat het paronomastische taalspel (tr – tr, du – di, ore – ore), dat aan de uitdrukking haar kracht geeft, in vertaling verdwijnt. Een omschrijvende vertaling van de cognitieve inhoud: ‘de vertaler is een verrader’ is eigenlijk niet meer equivalent te noemen. Het belangrijkste kenmerk – de literariteit – blijft onvertaald. 

Een andere belangwekkende bijdrage tot de linguïstische vertaaltheorie was het beknopte, maar nog altijd erg interessante werkje van J.C. Catford A Linguistic Theory of Translation uit 1965. Catford geeft aan equivalentie een centrale plaats in de definitie van vertalen: “Translation may be defined as follows: the replacement of textual material in one language (SL) by equivalent textual material in another language (TL)” (1965: 20, cursivering van de auteur). Catford maakt een onderscheid tussen total translation, die equivalentie op alle niveaus (i.c. grammaticaal en lexicaal) realiseert en restricted translation, die equivalentie op slechts één niveau realiseert. Catford geeft een interessant voorbeeld dat illustreert dat hij als linguïst vooral geïnteresseerd is in de mogelijkheid van equivalentie. De Engelse uitdrukking ‘it’s raining cats and dogs’ kan volgens hem op drie manieren equivalent vertaald worden: 

  • Het is regenend katten en honden (woord-voor-woord-vertaling) 
  • Het regent katten en honden (letterlijke vertaling) 
  • Het regent pijpenstelen / Het regent oude wijven (vrije vertaling) 

Vervolgens maakt Catford een beweging die de hele discussie omtrent equivalentie tot op de dag van vandaag problematisch maakt: de vaststelling of twee taaluitingen equivalent zijn wordt afhankelijk gemaakt van de beoordeling ervan door menselijke subjecten. Hij schrijft: 

textual translation equivalent (...) is any TL form (text or portion of text) which is observed to be the equivalent of a given SL form (text or portion of text). The discovery of textual equivalents is based on the authority of a competent bilingual informant or translator. (1965: 27) 
 

Equivalentie wordt dus in de handen gegeven van subjecten, terwijl de sterkte van de linguïstische benadering juist lag in de mogelijkheid van een objectieve benadering van verschillen en overeenkomsten tussen talen. 

Catford introduceert daarnaast nog een ander interessant element. Omdat de betekenis van twee termen uit verschillende talen nagenoeg nooit dezelfde is, komt het in de vertaling van teksten of tekstelementen aan op hun ‘uitwisselbaarheid in een gegeven situatie’: “SL and TL texts or items are translation equivalents when they are interchangeable in a given situation” (1965: 49). Hij gaat verder: 

The TL text must be relatable to at least some of the situational features to which the SL text is relatable. Presumably, the greater the number of situational features common to the contextual meanings of both SL and TL text, the ‘better’ the translation. The aim in total translation must therefore be to select TL equivalents not with “the same meaning” as the SL items, but with the greatest possible overlap of situational range. (1965: 49) 
 

Deze passage anticipeert op de latere functionele en communicatieve benadering van vertalen: een uiting is equivalent wanneer ze in dezelfde situatie functioneert. Een derde belangrijke bijdrage tot de equivalentie-discussie, zeker voor literair vertalen, is die van Eugene Nida. Hij is de eerste die linguïstische inzichten op een normatieve manier in het praktische vertalen binnenbrengt, wat de zaak vanuit onderzoeksstandpunt uiteraard problematiseert. Nida was een Bijbelvertaler met evangeliserende intenties en stoorde zich aan de formeel-corresponderende manieren van vertalen van de Bijbelteksten – een erfenis sinds Hiëronymus – die de teksten onverstaanbaar maakten. Die formele correspondentie wilde hij vervangen door een dynamische equivalentie. Overeenkomsten op lexicaal en grammaticaal vlak moesten plaatsmaken voor equivalenten die nauwer aansloten bij het ‘natuurlijke’ taalgebruik van de doelcultuur. Nida doet een beroep op het renaissancistische vertaalprincipe dat een vertaling bij haar lezers dezelfde reacties moet teweegbrengen als het origineel bij zijn lezers. Om dat te bereiken moet een vertaler streven naar de ‘closest natural equivalent of the source-language message’ (Nida 1964: 166). Om die boodschap te achterhalen greep Nida terug naar de transformationeel-generatieve grammatica van Chomsky: hij herleidde de essentiële betekenis tot zogenaamde kernzinnen – Chomsky’s dieptestructuren – en transformeerde die vervolgens in natuurlijk klinkende doeltaalzinnen. 

Uiteraard zijn hier veel vragen bij te stellen: hoe stel je vast hoe het doelpubliek van het origineel reageerde? Wie bepaalt wat een ‘natuurlijk’ equivalent in de doeltaal is? Welke overwegingen spelen er in de transfer van dieptestructuren naar oppervlaktestructuren? 

Met de zogenaamde ‘descriptive turn’ in de vertaalwetenschap, en versterkt nog in de ‘cultural turn’, veranderde ook de benadering van het begrip ‘equivalentie’. Omdat aan het begrip toch een geur van normativiteit kleefde en omdat de verschillende linguïstische benaderingen, ondanks alle verzekeringen dat equivalentie nooit volledig mogelijk is en altijd slechts gradueel gerealiseerd kan worden, de verdenking niet van zich konden afschudden dat equivalentie stoelt op de aanname dat er zoiets zou bestaan als talige invariantie die aan geen enkele historische verandering onderhevig is, ontstond vooral in de zogenaamde functionele vertaalbenadering de wens om komaf te maken met het begrip ‘equivalentie’ tout court (het duidelijkst bij Snell-Hornby 1988). Voor de functionele vertaalbenadering was equivalentie alleen maar een hinderlijke term, hinderlijk bij het vertalen zelf en ongeschikt om het te beschrijven. Dat is begrijpelijk, want in het functionalisme worden bron- en doelteksten volledig ondergeschikt gemaakt aan de bedoelingen die de menselijke subjecten (opdrachtgevers, vertalers) ermee hebben. Omdat dat voor literatuur niet opgaat, lijkt functionele equivalentie (en varianten zoals tekstuele equivalentie en communicatieve equivalentie) voor het literair vertaalonderzoek ongeschikt. 

De descriptieve vertaalwetenschap kan het begrip ‘equivalentie’ alleen al hierom niet eenvoudig overboord zetten omdat het, zoals gezegd, een begrip blijft dat door vertalers impliciet of expliciet gebruikt wordt. Als vertalers van een vertaling equivalentie met de brontekst eisen, dan is equivalentie een legitiem onderzoeksobject van de vertaalwetenschap. Een van de grondleggers van de descriptieve vertaalwetenschap, Gideon Toury, neemt daarom een veel genuanceerder standpunt in. Volgens hem zijn het de telkens wisselende normen die bepalen wat equivalentie is en wat niet. Er bestaat niet zoiets als een aan alle historie onttrokken invariant. Toury herdefinieert ‘equivalentie’ op een manier die het begrip redt van de uitschakeling en tegelijk hanteerbaar maakt voor het vertaalonderzoek: 

In plaats van een ahistorisch, voornamelijk prescriptief begrip, moet het een historisch begrip worden. In plaats van naar één enkele relatie, die een telkens terugkerend type invariant aanduidt, moet het verwijzen naar elke mogelijke relatie die men karakteristiek heeft geacht voor vertaling onder een gespecificeerde reeks omstandigheden. (Toury, 2004/1995: 169) 

 

Vertaalonderzoek is bij Toury onderzoek naar de normen die het vertalen sturen. Ook daar kan men zich natuurlijk vragen bij stellen: normenonderzoek mondt in de regel uit in de beschrijving van de omstandigheden waarin vertalingen plaatsvinden en van de instanties die het vertalen beïnvloeden (vertaalpolitiek, uitgeversbeleid, culturele factoren, literaire bewegingen...). Maar ook dat kan voor vertalers uiteraard nuttige informatie zijn. 

4. Op het snijpunt tussen norm en begrip 

In de geschiedenis van het vertalen heeft de spanning die inherent is aan de equivalentienorm – een vertaling moet equivalent zijn, maar equivalentie is nooit (volledig) mogelijk – tot pogingen geleid om hem zo al niet af te schaffen dan toch uit het centrum van het spreken over vertalen te verwijderen. Omdat equivalentie echter zo nauw verbonden is met het identiteitsdenken zal een steekhoudende kritiek op equivalentie zich op andere dan de gebruikelijke aannames moeten baseren. Schleiermacher was wellicht de eerste om te eisen dat een vertaling niet zozeer aandacht moet hebben voor ‘hetzelfde nog een keer’ als veeleer voor de niet te overwinnen alteriteit van bron- en doeltaal. Hij probeerde in het vertalen ruimte te scheppen voor die alteriteit. Maar ook hij bleef gevangen in de dualistische aannames van het identiteitsdenken (brontaal – doeltaal, hetzelfde – het andere, het vreemde – het eigene enz.). 

De meest radicale ondergraving van het equivalentieprincipe is te vinden in Walter Benjamins De opgave van de vertaler (1923). Voor Benjamin kan de opgave van een vertaling er niet langer in bestaan “‘hetzelfde’ herhaald” (Benjamin 2004/1923: 59) te zeggen. Vertaling staat niet in dienst van de lezer die het origineel niet verstaat, veeleer hebben vertalingen de vinger aan de pols van de historische taalbeweging, die voor betekenisveranderingen in de taal en voor veranderende tendensen in de literaire werken zorgt. Die taalbeweging is volkomen autonoom en onttrekt zich aan de invloed van menselijke subjecten (schrijvers, vertalers, uitgevers, opdrachtgevers ...). De opgave van de vertaler bestaat erin getuigenis van die taalbeweging af te leggen. Daarom kan een vertaling niet langer bestaan in de ‘nauwkeurige weergave’ van een origineel, want eigenlijk kan niemand zeggen, zo Benjamin, wat een nauwkeurige weergave eigenlijk is: niemand kan de maat ervan aangeven. Daarom kan de equivalente betekenisweergave niet langer de norm voor een geslaagde vertaling zijn (Benjamin 2004/1923: 64). In het spoor van Schleiermacher en Benjamin hebben zich in de twintigste eeuw heel wat vertaaltheorieën ontwikkeld die kritisch staan tegenover vertaling als equivalente weergave van een origineel. 

Deze kritiek onderscheidt zich van de kritiek die van functionalistische benaderingen uitgaat, die het vertalen in de handen geven van die andere hoeksteen van het identiteitsdenken: het beschikkende menselijke subject. In de ‘ethical turn’ (met vertalers als Antoine Berman en Lawrence Venuti) krijgt de vreemdheid van de andere tekst meer aandacht en wordt equivalentie als norm naar de rand verdrongen. In feministische vertaaltheorieën worden ‘ingrepen’ toegestaan in naam van de subversie van eeuwenoude genderpatronen; in postkoloniale vertaaltheorieën gebeurt hetzelfde in naam van de subversie van vanzelfsprekend geachte culturele hiërarchieën en patronen. De geldigheid van equivalentie als norm staat in de hedendaagse vertaalprakrijk en in het vertaalonderzoek zwaar onder druk. In hoeverre die nieuwe benaderingen aan de equivalentie ontsnappen en een vertaling buiten de equivalentie om mogelijk maken, zal moeten blijken. 

 

Bibliografie 

Benjamin, Walter. “De opgave van de vertaler.” In Naaijkens, Ton, Cees Koster, Henri Bloemen en Caroline Meijer (red.), 2004/1923, p. 59-67. 

Berman, Antoine. La traduction et la lettre ou l’auberge du lointain. Paris: Seuil, 1985.

Catford, J.C. A Linguistic Theory of Translation. Oxford: Oxford University Press, 1965.

Hermans, Theo. “Vertalen als navelstaren.” In Filter. Tijdschrift over vertalen 11:2 (2004), p. 3-18. 

Jakobson, Roman. “On the Linguistic Aspects of Translation.” In Reuben Brower (ed.), On Translation. Cambridge, Mass.: Harvard University Press, 1959, p. 232-239.

Jakobson, Roman. “Enkele linguïstische aspecten van het vertalen.” In Naaijkens, Ton, Cees Koster, Henri Bloemen en Caroline Meijer (red.), 2004/1959, p. 129-134. 

Kenny, Dorothy. “Equivalence.” In Baker, Mona (red.). Routledge Encyclopedia of Translation Studies. London/New York: Routledge. 2009, p. 96-99. 

Leal, Alice. “Equivalence.” In Gambier, Yves and Luc Van Doorslaer (red.). Handbook of Translation Studies. Vol. 3. Amsterdam/Philadelphia: John Benjamins, 2012, p. 39-46. 

Mounin, Georges. Les problèmes théoriques de la traduction. Paris: Gallimard, 1963.

Munday, Jeremy. Introducing Translation Studies. Theories and Applications. London/New York: Routledge, 2008.

Naaijkens Ton, Cees Koster, Henri Bloemen en Caroline Meijer (red.). Denken over vertalen. Tekstboek vertaalwetenschap. Nijmegen: Van Tilt, 2004.

Neubert, Albrecht. “Equivalence in Translation.” In Kittel, Harald, Armin Paul Frank, Norbert 

Greiner et. al. (red.). Übersetzung – Translation – Traduction. Ein internationales Handbuch zur Übersetzungsforschung / An International Encyclopedia of Translation Studies / Encyclopédie internationale de la recherche sur la traduction. Berlin: De Gruyter. 1. Teilband, 2008, p. 329-342. 

Newmark, Peter. Approaches to Translation. Oxford: Pergamon, 1981.

Nida, Eugene. Towards a Science of Translating. With Special Reference to Principles and Procedures involved in Bible Translating. Leiden: Brill 1964.

Sánchez, María T. The Problems of Literary Translation. A Study of the Theory and Practice of Translation from English into SpanishOxford: Lang, 2008.

Schleiermacher, Friedrich. “Over de verschillende methoden van het vertalen.” In Naaijkens, Ton, Cees Koster, Henri Bloemen en Caroline Meijer (red.), 2004/1813, p. 41-53.

Simms, Karl (red.). Translating Sensitive Texts: Linguistic Aspects. Amsterdam/Atlanta: Rodopi, 1997. 

Snell-Hornby, Mary. Translation Studies. An Integrated Approach. Amsterdam/Philadelphia: Benjamins, 1998.

Toury, Gideon. “De aard en de rol van normen in vertaling.” In Naaijkens, Ton, Cees Koster, Henri Bloemen en Caroline Meijer (red.), 2004/1995, p. 163-173.

Van den Broeck, Raymond. De vertaling als evidentie en paradoxAntwerpen: Fantom, 1999. 

Venuti, Lawrence. The Scandals of Translation. Towards an Ethics of Difference. London/New York: Routledge, 1998.

Vinay, Jean-Paul en Jean Darbelnet. Stylistique comparée du français et de l’anglaisParis: Didier, 1958. 

Categorieen
Naslag
ELV publicaties
Labels
Alles verandert altijd. Perspectieven op literair vertalen
Equivalentie