Vertalen van kinder- en jeugdliteratuur 

Kinder- en jeugdliteratuur in vertaling wordt binnen het literaire veld en daarbuiten vaak afgedaan als een randverschijnsel. Als ware het kinderspel.

Vertalers beschouwen het als een aanloop naar het ‘echte’, ‘grote’ werk en uitgevers claimen dat het gemakkelijker en dus goedkoper is. Onderzoekers benadrukken dat vertalingen voor jonge lezers vrijer zijn omdat kinder- en jeugdboeken een ondergeschikte, marginale of perifere positie bekleden ten opzichte van volwassenenliteratuur. Of omgekeerd, dat kinder- en jeugdboeken een secundaire status hebben omdat vertalers zich meer vrijheden veroorloven. De kip of het ei. 

Is vertalen van kinder- en jeugdliteratuur een randverschijnsel? Is het niet meer dan kinderspel? Gaat het gepaard met een grotere vertaalvrijheid? In dit hoofdstuk probeer ik een beeld te schetsen van de situatie van kinder- en jeugdliteratuur in vertaling waarbij het Nederlands als brontaal of doeltaal fungeert. Vanuit de overtuiging dat de dialoog tussen theorie en praktijk en tussen wetenschappers en beroepsvertalers vruchtbaar en verrijkend is, baseer ik me op enerzijds algemene opvattingen en ideeën uit de vakliteratuur (lzl 2005, Filter 2005, Noorduijn en Vanden Bosch 2016, Van Coillie en Kalla 2017, Petra-E1) en anderzijds mijn ervaring als literair vertaalster. De algemene beschouwingen worden geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk, zowel van eigen hand als van collega-vertalers (zie literatuurlijst). Het overzicht beperkt zich tot de eenentwintigste eeuw en de talen en culturen waarmee ik vertrouwd ben. 

1. Enkele cijfers 

Binnen de vertalingendatabase die het Nederlands Letterenfonds in samenwerking met het Vlaams Fonds voor de Letteren bijhoudt, kan onder meer gezocht worden op ‘genre’. Sinds 2000 zijn er meer dan 4300 kinder- en jeugdboeken uit het Nederlands vertaald, waarvan een vierde in het Duits, dat samen met het Frans en het Engels iets minder dan de helft van de vertalingen op zijn naam heeft staan. Om het aandeel van kinder- en jeugdboeken in het totaalaanbod van vertalingen in kaart te brengen wordt in onderstaande tabel een brede en representatieve keur aan talen weergegeven die verwante en minder verwante, centrale en perifere, gezaghebbende en minder gezaghebbende culturen vertegenwoordigen. 

Het valt meteen op dat kinder- en jeugdboeken in vertaling geen geringe plaats innemen. Ze maken maar liefst 40 procent van het totaalaanbod uit. Met uitzondering van het Arabisch, het Engels en het Tsjechisch belopen ze een derde of meer van het aantal gepubliceerde literaire vertalingen, los van de regio, met Japan en China als uitschieters. Markant is ook dat de helft van deze titels prentenboeken zijn, een genre dat bijzonder in trek is in het Arabisch en het Frans maar duidelijk minder belangstelling wekt in het Tsjechisch, het Pools, het Duits en het Russisch. 

Aangezien de database geen vertalingen in het Nederlands bevat, zijn we hiervoor aangewezen op elders gehanteerde statistieken, die een soortgelijke trend weerspiegelen. Afhankelijk van de bron blijkt dat kinder- en jeugdliteratuur in het Nederlandstalige gebied een derde tot bijna de helft van het totaalaanbod aan vertaalde titels bestrijkt, een volume dat in de afgelopen decennia gestaag is blijven groeien. 

Voornoemde cijfers bewijzen dat kinder- en jeugdboeken in vertaling verre van marginaal zijn. Ook het aantal verkochte exemplaren mag niet onderschat worden. Prentenboeken en kinderseries gaan vlot over de toonbank, vooral wanneer er verfilmingen, video’s, interactieve websites en merchandising mee gemoeid zijn. De Muizenhuis-reeks (Schaapman)2 is hiervan een sprekend voorbeeld. Ze wordt vertaald in meer dan vijfentwintig talen en is wereldwijd een groot succes. Jonge lezers (en hun ouders) hebben een ruime keuze aan knutselideeën en knuffelmuisjes en kunnen bovendien ook het levensechte decor in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam bezoeken. 

Tabel 1
Tabel 1. Vertalingen uit het Nederlands sinds 2000 per taal en regio (centraal, zuid, noord, oost, wereld) [3]

2. Aard en wezen 

De vraag of het vertalen van kinder- en jeugdliteratuur wezenlijk verschilt van het vertalen van volwassenenliteratuur (en van vertalen in het algemeen) doet veel inkt vloeien, maar is voor de vertaler van ondergeschikt belang. Een vertaler vertaalt teksten en gaat daarbij in essentie steeds op dezelfde manier te werk. Hij zoomt in op de componenten van het interculturele communicatieproces. De hamvraag is keer op keer: wie schrijft wat waar en wanneer voor wie met welke intentie en op welke manier? Het antwoord vergt een tweevoudig perspectief: bron en doel. Deze dubbele analyse ligt ten grondslag aan om het even welke vertaalopdracht. 

Bij het vertalen van een kinder- of jeugdboek speelt de communicatieanalyse zich grofweg af binnen de volgende grenzen: een (meestal) volwassen auteur schrijft op een bepaald moment in een bepaalde taal en cultuur en binnen een bepaalde uitgeverij een boek voor kinderen of jongeren (direct of indirect vaak ook voor ouders en opvoeders) met overwegend educatieve en/of onderhoudende en/of literaire doeleinden en hanteert daarbij specifieke tekstconventies (verhaal, strip, non-fictie, poëzie, prentenboek ...) en een eigen stijl. Heeft dit gevolgen voor de vertaling? Uiteraard. Bovenstaande analyse legt onvermijdelijk spanningen bloot die voor vertaalproblemen (kunnen) zorgen. Het is aan de vertaler om die vertaalproblemen op te sporen en op te lossen aan de hand van passende vertaalstrategieën. Er zij op gewezen dat dergelijke probleempunten per definitie deel uitmaken van het vertaalproces. Dat verloopt volgens een vast stramien en er is dus geen enkele reden om aan te nemen dat het vertalen van kinder- en jeugdliteratuur in vergelijking met andere genres kinderspel is. 

Hoe groter de afstand in tijd en ruimte, hoe groter de cultuurverschillen. Die uiten zich op tal van niveaus. Zo kan er binnen het literaire veld sprake zijn van uiteenlopende opvattingen over de rol van kinder- en jeugdliteratuur of de rol van vertalingen. In een cultuur waar moraal en norm sterker doorwegen dan respect voor het oorspronkelijke werk en zijn auteur zullen vertalers meer geneigd zijn tot het uitvoeren van diepgaande ingrepen dan hun collega’s in landen waar het auteursrecht een feit is en respect afdwingt. Ook genreconventies zijn vaak cultuurgebonden. In permeabele literaturen die vernieuwing van buitenaf — onder meer door vertaling — beschouwen als een verrijking van hun eigen literaire traditie, beschikken vertalers doorgaans over de nodige speelruimte om bestaande genreconventies te doorbreken, terwijl meer gesloten culturen zweren bij vervlakking en aanpassing aan de doelcode. Bovendien, hoe groter de culturele afstand, hoe groter het risico dat de doeltaallezer bepaalde referenties en connotaties mist. Dit geldt in sterke mate voor kinderen en jongeren, aangezien hun kennis en leefwereld doorgaans beperkter is dan die van de gemiddelde volwassene. Als intercultureel bemiddelaar en ‘(co)auteur’ zal de vertaler alle middelen aanwenden om een versie aan te leveren die zoveel mogelijk van de oorspronkelijke tekst bewaart (intentie, taal, toon, sfeer, leeservaring) en tegelijkertijd voor de doelgroep even begrijpelijk, even leesbaar en even geloofwaardig is als het origineel. Nieuw maar herkenbaar. Anders maar vergelijkbaar. 

In dit verband wordt algemeen aangenomen dat vertalers van kinder- en jeugdliteratuur zich vanuit de asymmetrische relatie volwassene-kind graag aanpassen aan hun publiek en vaak kiezen voor een doeltekstgerichte, naturaliserende of domesticerende aanpak in de overtuiging dat de jonge lezer (nog) niet in staat is om de vreemde elementen te begrijpen of naar waarde te schatten en alle belang heeft bij herkenbaarheid, inleefbaarheid en puur leesplezier. Een brontekstgerichte, vervreemdende of exotiserende vertaling is daarentegen gebaseerd op de veronderstelling dat het vreemde een verrijking inhoudt en dat kinderen heus wel tegen een stootje kunnen. Wellicht is het de kunst om het midden te houden tussen deze twee uitersten. Uiteindelijk is het de auteur die de algemene toon zet voor wat zijn lezerspubliek al dan niet aankan en is het aan de vertaler om de lat even hoog te leggen in de doeltekst en elke uiting van vertaalpaternalisme te schuwen. Vanuit praktisch oogpunt kan het daarbij nuttig zijn om zich de volgende vraag te stellen: hoe zou de schrijver zich tot het doelpubliek hebben gericht? 

Terwijl de auteur en zijn eigenheid een vaste waarde vormen in het vertaal- en communicatieproces (zijn naam prijkt op de kaft van het origineel én de vertaling) zijn de andere actoren onderhevig aan verandering. Dat geldt in de eerste plaats voor de uitgever en zijn strategieën. De houding ten aanzien van kinder- en jeugdliteratuur in vertaling verschilt al naargelang het profiel van de uitgeverij: zuiver commercieel, uitgesproken literair, conservatief en politiek correct... En dat profiel blijft niet per se hetzelfde bij de overgang van de broncultuur naar de doelcultuur. De vertaler wikt, maar de uitgever beschikt, al is er doorgaans wel marge voor overleg. Ook de uitgangssituatie van het lezerspubliek verandert, niet alleen van de jonge lezer zoals hierboven is aangegeven, maar ook van de volwassenen (ouders, docenten, bibliothecarissen) die ‘meelezen’ en de literaire smaak mee bepalen. Dit verschijnsel wordt ook wel dubbele lezersgerichtheid of meervoudige geadresseerdheid genoemd. De wensen en verwachtingen van uitgevers en meelezende volwassenen in de doelcultuur kunnen drastische gevolgen hebben voor de vertaling. 

Een andere schakel in het proces is de aard van de brontekst. Ook binnen de kinder- en jeugdliteratuur is sprake van genres: narratief proza, non-fictie, poëzie, stripverhalen, prentenboeken ... De ervaring leert echter dat de vertaler in dit geval vanuit praktisch oogpunt baat heeft bij een andere onderverdeling, namelijk de mate waarin diepgaande interventie in vorm en inhoud al dan niet aanvaardbaar, vereist of wenselijk is. De variatie aan vertaalvormen, gaande van adaptatie tot vertaling in enge zin, wordt doorgaans beschouwd als een van de bijzondere kenmerken. 

Aan het ene uiterste staan de titels waarop geen auteursrechten meer rusten, met name sprookjes en klassiekers. Inhoud en vorm worden vaak zodanig bewerkt dat het niet altijd duidelijk is op welke brontekst ze teruggaan. Alles kan en mag, inclusief lokalisering (verandering van tijd en ruimte), aanpassingen van de plot (bijschrijven of weglaten), ideologische manipulatie ... Dergelijke bewerkingen komen zelden voor rekening van de vertaler en worden meestal overgelaten aan auteurs (als de literaire functie primeert) of aan pedagogen en leerkrachten (wanneer de educatieve functie de overhand heeft). Het gaat daarbij vaak niet langer om vertalingen maar om aanpassingen van eerdere vertalingen van de brontekst. Die hebben meestal tot doel om de brontekst aan te passen aan de eigentijdse taal en leefwereld. 

Moderne kinder- en jeugdboeken in vertaling vallen onder het auteursrecht en bieden dus volgens de gangbare wettelijke en ethische normen en principes geen ruimte voor bewerking in bovenstaande zin. Toch kunnen ook hier ingrepen in de brontekst plaatsvinden. De mate waarin dat gebeurt is grotendeels afhankelijk van de combinatie van drie criteria: intentie van de auteur, intentie van de uitgeverij in de doelcultuur en leeftijd van de lezers. Ofschoon dankzij internet en de sociale media boekbesprekingen en aanbevelingen door kinderen geraadpleegd kunnen worden en fanvertalingen en kinderboeken door en voor kinderen aan populariteit winnen, wordt kinderen jeugdliteratuur hoofdzakelijk geschreven, becommentarieerd, vertaald en uitgegeven door volwassenen. De functies die deze teksten vervullen kunnen in grote lijnen als volgt worden samengevat: pedagogisch-didactisch-ideologisch (kennisverruiming of waardenvorming), onderhoudend (leesplezier en vermaak) en/of literair-esthetisch (gevoel voor literatuur). Als de intentie die in de brontekst tot uiting komt samenvalt met die van de uitgever in de doelcultuur kan de vertaler eenvoudigweg de maatstaf van de auteur hanteren. Een eventueel conflict kan echter voor spanningen en ingrepen in de tekst zorgen. 

Ter illustratie hiervan zoomen we even in op De voetbalgoden (Van Gemert)4, een reeks voor kinderen vanaf negen jaar waarin vermaak (avontuur en competitie) de boventoon voert. Sport, en dan vooral voetbal, is een populair thema dat jonge lezers aanspreekt. In een wereld waarin lezen steeds vaker moet wijken voor bezigheden die als boeiender en uitdagender worden ervaren is het in de eerste plaats zaak om kinderen warm te maken voor boeken in de hoop dat ze de smaak te pakken krijgen en mettertijd ook belangstelling zullen tonen voor de ‘grote’ literatuur. Dat is wellicht een van de redenen (samen met het te verwachten succes van een voetbalreeks) waarom deze titels in Spanje op de markt worden gebracht door Bruño, een toonaangevende educatieve uitgeverij die actief bijdraagt aan leeslijsten van scholen en fondsen van kinder- en jeugdbibliotheken. De afstand tussen de functie van de brontekst en de missie van de buitenlandse uitgeverij en haar ‘meelezers’ leidt onvermijdelijk tot een tweevoudige ingreep: de stijl wordt opgeschoond en politiek incorrecte uitingen (bijvoorbeeld racistische opmerkingen) worden afgezwakt of weggezuiverd. 

Aan jeugdliteratuur (chicklit en ladlit, fantasy en science fiction, historische romans,non-fictie...)wordtdoorgaansmindergesleuteldomdatadolescenten,zoals blijkt uit termen als young adults of cross-over, veelal op één lijn worden gesteld met volwassenen. Hoe jonger het lezerspubliek en hoe lager het literaire gehalte van de brontekst en het literaire cachet van de auteur, hoe groter de kans dat de uitgever ofwel de vertaler opdraagt om in te grijpen in de tekst ofwel de vertaling achteraf zelf afstemt op zijn eigen kindbeeld. Dit is met name ook van toepassing op prentenboeken. Nederland en Vlaanderen staan bekend om hun illustratoren (bijv. Philip Hopman, Annemarie van Haeringen, Carll Cneut of Ingrid Godon) en dat heeft tot gevolg dat vele uitgeverijen bij het aankopen van buitenlandse titels afgaan op de illustraties. Precies omdat de tekst van ‘secundair’ belang is, wordt er vaak vrij mee omgesprongen. Een belangrijk criterium is voorleesbaarheid, zelfs al moet het verhaal daarvoor herschikt of geherformuleerd worden. Voorwaarde is evenwel dat de samenhang tussen tekst en beeld gewaarborgd blijft. 

Eerder is aangetoond dat het kwantitatieve gewicht van kinder- en jeugdliteratuur in vertaling buiten kijf staat. Uit het voorgaande blijkt dat vertaalde kinder- en jeugdboeken ook in kwalitatieve termen een belangrijke rol spelen. Samen met de eigen literatuur bevorderen ze de cognitieve, psychische en sociale ontwikkeling van de jonge lezer en vormen ze een bron van leesplezier en literaire smaakvorming. Uitgevers die met behulp van de vertaler op zoek gaan naar toegevoegde waarde, naar iets ‘nieuws’ of ‘anders’ dat in het assortiment van eigen bodem ontbreekt, verruimen bovendien de blik van het lezerspubliek over de grenzen heen. 

3. Vertaalproblemen en (mogelijke) vertaaloplossingen 

Hoewel de problemen die opduiken bij het vertalen van kinder- en jeugdliteratuur en de oplossingen die door vertalers worden aangedragen ook elders voorkomen, zijn er punten die geregeld terugkeren en vaak samen optreden, al zijn ze niet per definitie op alle kinder- en jeugdboeken van toepassing. Een greep uit de praktijk: culturele referenties5 (eigennamen, merknamen, bestaande of fictieve begrippen, gerechten), interactie met illustraties, oraliteit (dialoog, taalregister), rijm, liedjes en klankpatronen6, humor en woordspelletjes7, meertaligheid8 (penetratie van het Engels en aanwezigheid van verschillende culturen), gespecialiseerd taalgebruik (non-fictie)9, lezersgerichtheid ... 

Op macroniveau liggen communicatieanalyse en reflectie aan de basis van een empathische vertaling die zoveel mogelijk rekening houdt met alle spelers en spelelementen. Wat is het kindbeeld van de auteur? Tot welke lezers richt hij zich? Welk doel beoogt hij met zijn boek? Om wat voor soort boek gaat het? Is er sprake van genreconventies? Wat zijn de eigen stijlkenmerken van de auteur en de tekst (gemarkeerd versus ongemarkeerd taalgebruik)? Wat is hun functie? Welk doel beoogt de uitgeverij in de doelcultuur met de vertaling? Is de brontaal/-cultuur ver verwijderd van de doeltaal/-cultuur? Het antwoord op deze vragen zal de vertaler in de gelegenheid stellen eventuele problemen te ontdekken en passende vertaalstrategieën te zoeken en te hanteren: welke elementen moet/kan/wil ik behouden en hoe doe ik dat in de doeltaal? 

Ongeacht de aard van de vertaalopdracht zet de vertaler op microniveau bewust of onbewust steeds dezelfde stappen: hij detecteert een probleem (wie het probleem niet ziet, kan het ook niet oplossen, met alle gevolgen van dien), bedenkt mogelijke oplossingen (creativiteit), schat de gevolgen en het effect van de verschillende strategieën in (twijfel) en maakt een keuze (beslissing). Vertalen beantwoordt niet aan vaste recepten of regels, maar aan een hoogstpersoonlijke mix van hoogstpersoonlijke keuzen. Niets is van nature juist of fout. Goed en slecht zijn relatieve begrippen. Dé perfecte oplossing bestaat niet, ook niet in kinder- en jeugdliteratuur. Belangrijk is dat elke afzonderlijke beslissing past in het geheel en aansluit bij het doel dat de vertaler met zijn vertaling nastreeft op grond van de voornoemde macroanalyse. 

Voorbeeld 1 

Dubbel Doortje (Sollie 2004) is een voorleesboek voor kinderen van drie tot zes jaar met versjes in rijmvorm die ondersteund worden door prenten. Een kleine kleuter ontdekt dat ze alles dubbel heeft, of toch niet? De titel is een vertaalprobleem op zich: alliteratie, verwijzing naar het tweevoud en naam van de hoofdpersoon, die op de cover en op verschillende illustraties in het boek staat afgebeeld maar verder niet in de tekst wordt genoemd. In de Spaanse versie, Doble Didi, blijven de drie elementen behouden en wordt de tweevoudigheid nog versterkt door de herhaling binnen de eigennaam die wordt aangepast aan de Spaanstalige kleuter. Het Franse Deux par deux giet de alliteratie en het concept van dubbelheid in een telrijmpje, maar laat de naam varen. 

Bij het omzetten van de versjes zelf moet rekening gehouden worden met vorm, inhoud en illustraties. De Franse versie geeft voorrang aan het behoud van de inhoudelijke nuances ten koste van het rijmschema, terwijl in de Spaanse tekst rijm en ritme prevaleren boven de exacte weergave van de brontekst, ofschoon de onderliggende gedachte intact blijft. Twee verschillende keuzen en oplossingen die elk op hun manier recht doen aan de auteur en het boek. Onderstaand versje gaat vergezeld van een illustratie waarop een giraf met twee nekken staat afgebeeld: 

Tabel 2
Tabel 2: André Sollie, Dubbel Doortje: rijm

Voorbeeld 2 

Ook in Polleke (Kuijer), een reeks voor kinderen van tien tot twaalf jaar over een meisje dat het leven en zijn problemen niet uit de weg gaat, komen tal van vertaalproblemen samen: onder meer eigennamen (culturele referenties), meertaligheid (Nederlands en Spaans) en woordspelletjes. 

Tabel 3
Tabel 3. Guus Kuijer, Polleke (5 delen): eigennamen

In de geraadpleegde versies worden de eigennamen aangepast aan de spelling van de doeltaal om te waarborgen dat de vertalingen voor de jonge lezer even leesbaar zijn als de brontekst. De vervanging van Polleke door Pauline blijft geloofwaardig omdat deze Franse naam ook in de broncultuur gehoord wordt en dus past in de Nederlandse context waarin het verhaal zich afspeelt. In dit geval gaat het niet om ‘sprekende namen’ waarvan de betekenis bepalend is voor de karakterisering van het personage. Ook wanneer dit wel het geval is worden vaak verschillende strategieën gehanteerd: de betekenisvolle achternaam van Mr. Wormwood uit Matilda (Dahl 1988) wordt vertaald in het Frans (monsieur Verdebois) en in het Nederlands (meneer Wurmhout), maar blijft behouden in het Spaans (señor Wormwood). 

In deel drie krijgt Polleke er een Mexicaans klasgenootje bij. De dialogen waarin Nederlands en Spaans gemengd worden vormen een niet te onderschatten vertaalprobleem. 

Tabel 4
Tabel 4. Guus Kuijer, Het geluk komt als de donder (Polleke 3): meertaligheid

De Spaanse versie legt de lat hoog (net zoals Kuijer met zijn jonge lezers doet) en speelt zoveel mogelijk met het Nederlands en het Spaans, onder meer ook ter wille van de geloofwaardigheid. In de andere versies worden de Nederlandse woorden vertaald in de doeltaal en blijft het Spaans behouden. 

Polleke zegt regelmatig ‘ik word wiebel’ wanneer iets haar ontroert. Het adjectief loopt als een rode draad door de reeks en maakt deel uit van het idioom van de hoofdfiguur. In de Franse versie wordt ‘wiebel’ op diverse manieren vertaald, zodat de functionele herhaling van de brontekst verloren gaat. In de andere twee versies blijft ze behouden. 

Tabel 5
Tabel 5. Guus Kuijer, Polleke (5 delen): ‘wiebel’

Voorbeeld 3 

Het wonder van jou en je biljoenen bewoners (Schutten 2015), een non-fictieboek over het menselijk lichaam voor kinderen vanaf tien jaar, zorgt dan weer voor een ander vertaalprobleem. In de Germaanse talen, zoals het Nederlands en het Duits, zijn wetenschappelijke termen vaak relatief doorzichtig omdat er veel woorden uit de omgangstaal worden gebruikt. De Romaanse talen daarentegen staan bol van de Griekse en Latijnse benamingen. Bijvoorbeeld ‘buikvlies’ en ‘waterstof’ versus ‘peritoneo’ en ‘hidrógeno’ in het Spaans. Schutten belooft zijn jonge lezer dat hij zijn best zal doen om de tekst zo eenvoudig mogelijk te houden en moeilijke woorden te bewaren voor de illustraties, al waarschuwt hij dat dit soms onmogelijk is. Aan ‘moeilijke’ Nederlandse termen voegt hij vaak een korte beschrijving of omschrijving toe. Daarmee reikt hij vertalers in Romaanse talen een oplossing uit eigen keuken aan: om te waarborgen dat de vertaling ongeveer even leesbaar blijft als voor een Nederlandstalig kind volstaat het om de strategie van de auteur vaker dan in de brontekst toe te passen. 

Tabel 6
Tabel 6. Jan Paul Schutten, Het wonder van jou en je biljoenen bewoners: vulgariserend versus gespecialiseerd taalgebruik

Aangezien het menselijk lichaam een universeel gegeven is en dit boek op om het even welk kind van toepassing is, kunnen lokale culturele referenties als ‘Rennen springen vliegen duiken vallen opstaan en weer doorgaan’ worden aangepast. Het gaat om de titel van een hoofdstuk over sport en beweging waarin de auteur verwijst naar een liedtekst van Herman van Veen (een knipoog naar de meelezende volwassene). In de Spaanse versie is gekozen voor ‘Trotar, saltar y ronda’, een Spaans kinderliedje waarin gesprongen en gedanst wordt. De dubbele lezersgerichtheid wordt hier even overboord gezet, maar de overige elementen blijven behouden. In de Duitse vertaling verdwijnt de connotatie en is gekozen voor een letterlijke vertaling van de denotatieve betekenis (‘Rennen, springen, fliegen, tauchen, fallen, aufstehen, weitermachen’). 

Voorbeeld 4 

Spreektaal in dialoogvorm is niet weg te denken uit kinder- en jeugdboeken. In onderstaand voorbeeld uit Mockingjay (Collins 2010) richt Katniss zich tot haar kat met een vraag waarin ze verwijst naar haar zusje Prim. Geloofwaardigheid is hier opnieuw een belangrijke maatstaf. Het taalgebruik moet passen bij het personage dat aan het woord is: in dit geval een zeventienjarig ‘modern’ meisje. Katniss personifieert de kat van haar zusje Prim (‘de lelijkste kater ter wereld’) en stelt hem een zeer natuurlijke en spontane vraag die kenmerkend is voor de Engelse spreektaal. Hoe wordt dit opgelost in de vertalingen? 

Tabel 7
Tabel 7. Suzanne Collins, Mockingjay: spreektaal (dialoogvorm)

Het modale partikel ‘eens’, het informele ‘jochie’ en de vervanging van het letterlijke ‘Wil je Prim zien?’ door het idiomatische ‘Wil je naar Prim?’ geven aan de Nederlandse versie een frisse, jeugdige uitstraling. In de andere vertalingen leunt de vraag sterker aan bij de brontekst, terwijl de aanspreekvorm varieert van jong tot oud, van informeel tot neutraal en van liefdevol tot afstandelijk. Dit heeft tot gevolg dat de relatie tussen Katniss en het dier van vertaling tot vertaling verschilt. Alles hangt af van de interpretatie van ‘boy’ en het beeld dat de vertalers zich gaandeweg hebben gevormd van de kater. 

Voorbeeld 5 

Bij het vertalen van jeugdboeken zijn informeel taalgebruik, straattaal en streektalen een vaak voorkomend probleem. In Kiffe kiffe demain (Guène 2004) is een vijftienjarig Frans-Marokkaans meisje aan het woord. Ze drukt zich uit in een mengtaal die gebezigd wordt door jongeren van multi-etnische voorstedelijke wijken waarin verlan, argot en vreemde invloeden herkenbaar zijn. Het taalgebruik van de vertelster weerspiegelt het hybride karakter van haar eigen identiteit en de socioculturele context waarin ze opgroeit en speelt dus een functionele rol. Uit onderstaande fragmenten blijkt dat de vertalers verschillende strategieën hebben gebruikt om respectievelijk het informele taalgebruik en de arabismen weer te geven. Het is de kunst om de connotaties over te brengen zonder dat de geloofwaardigheid in het gedrang komt. Geen lezer die aanneemt dat een Frans-Marokkaans meisje zich uitdrukt in een Nederlands, Vlaams, Spaans of Engels lokaal dialect... 

Tabel 8
Tabel 8. Faïza Guène, Kiffe kiffe demain: informeel taalgebruik

Terwijl de informele taalkenmerken uit de brontekst in de Nederlandse en de Spaanse vertaling worden weergegeven door informele elementen uit de doeltaal, waarbij onder meer geput wordt uit de straattaal (‘sweetie’) en de zigeunertaal (‘chorbo’), is in de Engelse tekst elke connotatie verdwenen. 

In het volgende voorbeeld liggen de verhoudingen anders. Een arabisme zoals ‘walou’, dat door de auteur zelf van uitleg wordt voorzien omdat het geen deel uitmaakt van de Franse woordenschat, geniet een identieke behandeling in de doeltalen. ‘Bled’ geldt daarentegen als een volledig ingeburgerd woord dat is opgenomen in alle gangbare Franse woordenboeken. Voor vele anderstalige lezers is dit arabisme echter even onbekend als ‘walou’. In dit geval is het de Engelse vertaalster die het vreemde element behoudt en de bijbehorende connotaties aan het begin van de roman uiteenzet in een korte woordenlijst. In de andere twee vertalingen gaat het arabisme verloren. De Nederlandse vertaler kiest voor ‘Marokko’, een totum pro parte dat indirect zowel de denotatieve als de connotatieve elementen uit de brontekst weergeeft, maar geen onderscheid maakt tussen stad en platteland. De gestandaardiseerde vervanging uit de Spaanse versie roept heel andere connotaties op dan het pejoratieve ‘bled’: nostalgie, identificatie en waardering. 

Tabel 9
Tabel 9. Faïza Guène, Kiffe kiffe demain: arabismen

Uiteraard heeft het geen zin om vertalingen te beoordelen op losse voorbeelden. Net zoals de brontekst vormt de doeltekst een geheel en mogen individuele oplossingen voor functionele vertaalproblemen (soortgelijke middelen op dezelfde plaats of compensatie door soortgelijke middelen op een andere plaats of andere taalkundige middelen) niet uit hun verband worden gerukt. Idealiter zou de eindbalans dezelfde moeten zijn. 

4. De kinder- en jeugdboekenvertaler 

Vertalen is niet hetzelfde als vertaler zijn. Vertaler zijn houdt een reeks belangrijke uitdagingen en verantwoordelijkheden in. De zogenaamde secundaire status van kinder- en jeugdliteratuur leidt tot een reeks misverstanden die door de vertaler actief moeten worden bestreden. Honoraria liggen doorgaans lager en royalty’s zijn niet vanzelfsprekend10ofschoon het vertaalproces en de moeilijkheidsgraad niet wezenlijk verschillen en kinder- en jeugdboeken evengoed onder het auteursrecht vallen. Het is dan ook de taak van de vertaler om op te komen voor de zaak van de kinder- en jeugdliteratuur in vertaling, die per slot van rekening zijn eigen zaak is. 

Het gaat daarbij niet uitsluitend om tarieven en royalty’s, maar ook om het recht om drukproeven in te kijken en drastische ingrepen te voorkomen die de eigenheid van de auteur en de tekst op onrechtmatige wijze aantasten. Overleg met de auteur, de uitgever en de proeflezer is in dit opzicht van onschatbare waarde. Een naar vorm en inhoud ‘kindgerichte’ vertaling van een schrijver als Bart Moeyaert, die kinderen serieus neemt, een en al ironie is en een eigen literaire stijl hanteert, betekent een regelrechte inbreuk op het auteursrecht en op de gedragscode van de literair vertaler.11 Literaire vertalingen, met inbegrip van kinder- en jeugdboeken, zijn meer dan ‘consumptiegoederen’, tenzij de auteur zelf commerciële doeleinden nastreeft of zich uitdrukkelijk bereid verklaart in het buitenland te worden omgedoopt tot een commercieel schrijver in een poging om met succes eender welke grens over te steken. In dat geval heiligt het doel de middelen ... 

5. Bij wijze van besluit 

Kinder- en jeugdboeken zijn uit zowel kwantitatief als kwalitatief oogpunt bijzonder relevant. De secundaire status die ze van oudsher krijgen toegedicht is een mythe. Het is aan de actoren van het literaire veld, inclusief de vertaler, om deze mythe uit de wereld te helpen. 

Vertalen van kinder- en jeugdliteratuur kent geen exclusieve problemen of oplossingen. De (literair) vertaler gaat in wezen steeds op dezelfde manier te werk. De dubbele communicatieanalyse legt de verhoudingen tussen auteur, tekst, lezer en uitgever bloot en helpt de vertaler bij het detecteren van vertaalproblemen (die zich ook elders voordoen maar in dit geval vaker en vaak samen optreden) en bij het vinden van passende vertaalstrategieën (in overeenstemming met het kindbeeld van de auteur). Net zoals bij andere genres zijn er moeilijkere en gemakkelijkere teksten en auteurs, maar één ding is zeker: het vertalen van kinder- en jeugdboeken is geen kinderspel. 

Bronteksten die tot het publiek domein behoren kunnen ten gevolge van een haast grenzeloze adaptatie worden omgevormd tot een nieuw boek met een nieuwe auteur ‘naar...’, terwijl boeken met copyright naar inhoud en vorm respect voor de auteur afdwingen. Asymmetrie en dubbele lezersgerichtheid hoeven in dit opzicht geen probleem te zijn, aangezien het volstaat om zich in te leven in het kindbeeld en de intentie van de auteur (en de uitgever van deze visie in kennis te stellen). 

Vertaling van literatuur in het algemeen en van kinder- en jeugdliteratuur in het bijzonder heeft onder meer tot doel om de internationale verstandhouding te bevorderen. De gegevens van de vertalingendatabase liegen er niet om. Zoals verwacht staan de buurtalen Duits, Frans en Engels aan de top. Het is echter flagrant dat bijvoorbeeld in de landen van Noord- en Oost-Europa aanzienlijk minder Nederlandstalige kinderboeken en met name prentenboeken worden vertaald dan in China en Japan. Wellicht ziet het plaatje dat ik hier heb geschetst er in grote delen van de wereld anders uit ... 

 

Noten en bibliografie

1 Zie https://petra-educationframework.eu/nl/, geraadpleegd op 10 oktober 2018. 

3 Zie http://www.letterenfonds.nl/nl/vertalingendatabase, geraadpleegd op 10 oktober 2018. 

2 Schaapman, Karina. Het muizenhuis (reeks). Amsterdam: Rubinstein Publishing Bv. 

4 Van Gemert, Gerard. De Voetbalgoden (reeks). Amsterdam: Clavis. 

5  Zie ook 2.2. 

6  Zie ook 2.4. 

7  Zie ook 2.6. 

8  Zie ook 2.5. 

9  Zie ook 3.5. 

10 Praktijken die haaks staan op punten 2 en 5 van de gedragscode van het Europese netwerk van organisaties van literair vertalers (CEATL). Zie: https://www.ceatl.eu/translators-rights/hexalogue-or-code-of-good-practice, geraadpleegd op 10 oktober 2018. – Zie ook hoofdstuk 1.1. 

11 Zie bijvoorbeeld Artikel 1, lid 1, van het Modelcontract voor de uitgave van een vertaling van een literair werk: “De vertaler verbindt zich tot het leveren van een naar inhoud en stijl getrouwe en onberispelijke Nederlandse vertaling rechtstreeks uit het oorspronkelijke werk.” http://www.vvl.nu/vvl/media/original/93/190612_lug_vvl_modelcontract_literaire_vertalingen_ en_toelichting.pdf, geraadpleegd op 10 oktober 2018. Ook punt 3 van de gedragscode van bijvoorbeeld ACE Traductores (Spaanse vereniging van literair vertalers) onderstreept dit: https://ace-traductores. org/profesion/codigo-deontologico/, geraadpleegd op 10 oktober 2018. 

Primaire literatuurlijst 

Collins, Suzanne. Mockingjay (Hunger Games 3). New York: Scholastic Press, 2010.
Collins, Suzanne (vert. 
Maria Postema): Spotgaai (De hongerspelen 3). Amsterdam: Van Goor, 2010. Collins, Suzanne (vert. Sylke Hachmeister en Peter Klöss). Flammender Zorn (Die Tribute von Panem 3). Hamburg: Friedrich Oetinger, 2011.
Collins, Suzanne (vert. 
Armand Carabén). L’ocell de la revolta (Els jocs de la fam 3). Barcelona: Grup 62, 2013.
Collins, Suzanne (vert. Simona Brogli). Il canto della rivolta (Hunger Games 3). Milano: Mondadori, 2012.
Collins, Suzanne (vert. Guillaume Fournier). La révolte (Hunger Games 3). Paris: Pocket Jeunesse, 2012. Collins, Suzanne (vert. Pilar Ramírez Tello). Sinsajo (Los juegos del hambre 3). Barcelona: RBA Libros, 2011.
Dahl, Roald. 
Matilda. London: Puffin Books, 1988.
Dahl, Roald (vert. 
Huberte Vriesendorp). Matilda. Utrecht: De Fontein, 1998.
Dahl, Roald (vert. Henri Robillot). 
Matilda. Paris: Gallimard Jeunesse, 1997.
Dahl, Roald (vert. Pedro Barbadillo). Matilda. Barcelona: Alfaguara, 2005.

Guène, Faïza. Kiffe kiffe demain. Paris: Hachette littératures, 2004.
Guène, Faïza (vert. 
Frans van Woerden). Morgen kifkif. Amsterdam: Luitingh-Sijthoff, 2005. 
Guène, Faïza (vert. Sarah Adams). Kiffe Kiffe Tomorrow. Boston: Houghton Mifflin Harcourt, 2006. Guène, Faïza (vert. Jordi Martín Lloret). Mañana será otro día. Barcelona: Salamandra, 2006 Kuijer, Guus. Het geluk komt als de donder (Polleke 3). Amsterdam: Querido, 2012.
Kuijer, Guus (vert. Sylke Hachmeister). Das Glück kommt wie ein Donnerschlag. Hamburg: Friedrich Oetinger, 2003.
Kuijer, Guus (vert. Maurice Lomré). Le bonheur surgit sans prévenir. Paris: L’école des loisirs, 2009. Kuijer, Guus (vert. 
Goedele De Sterck). Poleke. La felicidad llega por sorpresa. México D.F.: Castillo, 2017.
Schutten, Jan Paul. Het wonder van jou en je biljoenen bewoners. Harlem: J. H. Gottmer, 2015. Schutten, Jan (vert. Verena Kiefer). Der Mensch oder Das Wunder unseres Körpers und seiner Billionen Bewohner. Hildesheim: Gerstenberg, 2016.
Schutten, Jan Paul. 
La respuesta eres tú y tus billones de habitantesVertaald door Goedele De Sterck. Madrid: Maeva, 2019.
Sollie, André. Dubbel Doortje. Amsterdam: Querido, 2004.
Sollie, André (vert. Isabelle Rosselin). Deux par deux. Paris: Sarbacane, 2005.
Sollie, André (vert. 
Goedele De Sterck). Doble Didi. México D. F.: Fondo de Cultura Económica, 2007. 

Secundaire literatuurlijst 

Themanummer over kinder- en jeugdliteratuur in vertaling. Literatuur zonder leeftijd (LZL), 2005, jaargang 19, nummer 67. 
Themanummer “Hans, Pippi, Grietje en andere vertaalde kinderen.” Filter 12:4 (2005).
Noorduijn, Mirjam en Veerle Vanden Bosch. Het boekenboek. 1001 onverwachte dwarsverbanden. Amsterdam: Uitgeverij Leopold, 2016.
Van Coillie, Jan en Irena Barbara Kalla (red.). Minoes, Minnie, Minu en andere katse streken. De internationale receptie van Annie M.G. Schmidts Minoes. Lage Landen Studies 8. Gent: Academia Press, 2017. 

Categorieen
Vertaaltheorie
Naslag
ELV publicaties
Labels
Alles verandert altijd. Perspectieven op literair vertalen
Kinder- en jeugdliteratuur