Vertolking 2.0 – Over het opnieuw vertalen van klassiekers

“Hoe ga je ‘the watery part of the world’ vertalen? Maarten Biesheuvel kijkt me bezorgd en beslist ook argwanend aan en dat is niet voor het eerst.

Hij is een man van winterharde stokpaardjes en Moby Dick (1851), vindplaats van die ‘watery part’, is er één van. Sinds hij weet dat ik actieve bemoeienis met dat boek heb, zit hij me op de huid. Hij leerde het kennen in de vertaling van Emy Giphart (Melville [1961]) en die laat hij zich niet afpakken omdat ik zo nodig een nieuwe moet maken. Het is 2007. Begin volgend jaar komt mijn vertaling uit, er is nog tijd. 

“Het waterige deel van de wereld”, antwoord ik. Hoe anders?
Hij lijkt even opgelucht, maar dan schiet hem alweer iets te binnen.
“En ‘Call me Ishmael’?”

 

Blijft een goede vraag, dat. Die drie eerste woorden zijn wel degelijk een probleem bij het vertalen van Melville’s klassieker. In het Engels zijn ze gevleugeld en ik wil mijn Nederlands net zo’n vliegende start geven. De mogelijkheden spoken door mijn hoofd. Lang overwoog ik “Heet mij Ismaël”, dan heb je de passende oudtestamentische toon en Neeltje Maria Mins beroemde dichtregel resoneert gratis mee. Ik vertelde het mijn redacteur Jan Kuijper, die andere kritische vriend, die vaak “Vooruit dan maar” zegt, maar nu bedenkelijk had gekeken. 

Het klinkt te literair. Misschien is te literair geen goed visitekaartje. 

Wat te doen? “Zeg maar Ismaël” is tof, “Ismaël is de naam” is stijf en slaat nergens op. Ik meen het boek goed te kennen: de verteller is een profeet maar ook, net als de hoofdpersoon, de wraakzuchtige kapitein Achab, een geplaagde. Hij zal als enige opvarende van de Pequod overleven. Kijk de Bijbel en het boek er maar op na. 

“Noem me Ismaël”, zeg ik. 

Vriend knikt. Ja, dat heeft Emy Giphart ook (1961: 5), maar dat is precies waarom ik me bij voorbaat ongelukkig voel bij die oplossing. Hij denkt toch niet dat ik die van haar heb overgenomen? Dat taaluitingen een definitieve status hebben? Taal is altijd vertaling, wat je ook pretendeert weer te geven. Taal is interpretatie en parafrase; ze heeft intrinsieke waarde, geen absolute. Daar schreef Carry van Bruggen (1925) al over voordat Derrida het deed. Maar het klinkt ingewikkeld, dus ik houd mijn mond. 

Ach Maarten, zal ik denken als ik ‘s avonds naar huis rijd, het levende boek waar ik voor ga moet overtuigen, niet storen. Je vragen beschuldigen me: ik zit niet alleen met mijn tengels aan andermans werk, zoals iedere vertolker, maar lijk ook nog eens de aanrander van mijn voorgangster, die ik juist mijd, maar dat terzijde. Nieuwe vertolkingen bij muziek of theater zijn gewoon, in de literatuur ligt dat anders. 

Eigenlijk ben je net als bijna iedereen bij een vertaling belust op fouten, op vondsten eventueel, terwijl ik jou niet hoef te vertellen dat het daar bij zoiets complex en organisch als schrijven of herschrijven niet om gaat. In plaats van argwanend te zijn zou je je kunnen afvragen hoe de vertolker (ík, Maarten) zich tot het oorspronkelijke werk verhoudt. Wat heb ik geprobeerd, hoe komt het over? Dat telt bij oorspronkelijk werk en net zo goed bij een eerste, tweede, derde vertolking. 

Angst voor fouten is dom. Leve de betrekkelijke argeloosheid waaruit iets onverwachts kan bloeien, om met Dick Hillenius (1996) te spreken. 

Een vertaler breekt een boek af en bouwt met eigen materiaal een nieuw boek: hetzelfde anders. In die fase lijkt hij op de oorspronkelijke schrijver die ook uit een wirwar voornemens, sensaties en vermoedens eenheid creëerde. Door dichters worden vertalingen vaak opgenomen als eigen poëzie, zie recentelijk Joost Baars (2017) met zijn vertalingen van Gerald Manley Hopkins. Bij poëzie is de nood aan vrijmoedigheid om ‘in de geest van’ iets goeds te maken nog evidenter. 

‘Verzielen’ noemt Hans Boland, eerste of zoveelste vertolker van Russische klassiekers, vertalen. De ene taal is de andere niet, vandaar ver-talen. De ene mens is de andere niet, vandaar ver-zielen. Uit de keus van zo’n woord blijkt Bolands hekel aan modellen. Hij is zijn eigen model. Vertalen kun je net zo min als schrijven leren, en ook moed of drang is niet te leren. Wel leer je van het voorbeeld van anderen, die sympathie of aversie wekken. Je leert je allergieën profileren en je eigenaardigheden koesteren. Dat houd ik mijn studenten creative writing als het hoogst haalbare voor. 

2. 

In Mobydickiana (2009), Slibreeks nr. 128, vertel ik wat er zoal door mijn hoofd ging terwijl ik zocht naar de juiste woorden voor mijn Moby Dick (Melville 2008, 600 p.), en ook naar de juiste muzikale ondertoon en filosofische impact. Een boek is geen opstel dat op betekenis drijft. 

Een fijne fase is dat, wikken en wegen, omarmen en verwerpen, proberen en op drift raken, maar ooit is die tijd van onschuld voorbij. Er moeten knopen doorgehakt en darlings vermoord, waarna het boek van de lezer en de literatuur is, zoals Borges het zei, en ik het loslaat, want anders dan een kind moet een geesteskind meteen op eigen benen staan. Vervolgens is het wat de gek ervoor geeft. Wordt het een publiekslieveling, een winkeldochter? Totdat de tijd z’n minder vluchtige oordeel velt. Moby Dick bleef een halve eeuw een flop en zit nu stevig in de canon. 

Intussen begrijp ik mijn vriend best. In het vragenkwartier na een van de vele lezingen die ik sinds 1997 over mijn Don Quichot (Cervantes Saavedra 1997) heb gegeven, vroeg een vrouw of ik het niet erg vond dat ze de eerdere vertaling van de hispanist Van Dam en de dichter Werumeus Buning (Cervantes Saavedra 1941-1943) mooi bleef vinden. “We hebben er zo van genoten, mijn man zaliger en ik.” 

Alsof ik daar in kan of wil treden! Wat een misverstand! Ik vertaal niet uit competitie, ik wil míjn vertolking van een innig geliefd boek geven, met alles wat daar aan emotie en ervaring bij komt. Laat ik het samenvatten: Werumeus Buning kón niet kleurloos zijn, hij is bewonderenswaardig flamboyant, maar ik ben hem niet. Ik ben loyaal aan míjn lezing. Een vertaling of vertolking sluit trouwens nooit andere uit, al was het maar omdat het origineel ligt te wachten op iedereen die de krachtmeting wil aangaan. 

Het ontroerendst was dat de vragenstelster later langs mijn tafeltje kwam voor een handtekening. 

3. 

Je voelde de publieke verwarring en opwinding toen in 2004 de Nieuwe Bijbelvertaling van het NBG uitkwam. Ik was als een van de meelezers door het Genootschap gevraagd lezingen over de literaire kant te geven, terwijl een deskundige/vertaler zíjn verhaal deed. Het ging om een drietrapsproject: door theologen en andere wetenschappers was graaf- en speurwerk verricht, waarna de vertalers aan de slag gingen; tot slot mocht een leger schrijvers amenderen. De vertaling was direct uit de drie bronteksten gemaakt, geen sprake van een hervertaling of bewerking. Resultaat: verbetering van duizenden fouten of onduidelijkheden en de omverwerping van evenzovele heilige huisjes. Er was klare taal gebezigd in plaats van een mix van oud en gedragen, want dat zou berusten op misplaatste trouw. 

Sommige gelovigen noemden het blasfemie dat er met kritische zin aan Gods Woord was gezeten. Voor hen gold de Statenvertaling of een afgeleide als het woord van God, alsof Hij/hij over pen en papier of een secretaresse beschikte. Alsof Hij/hij Aramees, Oudgrieks en Hebreeuws sprak of, als eigen vertolker in het Nederlands, een soort Vondeliaans. “In den beginne was het Woord.” “Het geschiedde in die dagen.” Zo hoorde het! Maar zo was het niet meer. De kribbe was nu een voederbak. 

In het ontstaansverhaal van de Bijbel was niet iedereen geïnteresseerd. Geloof is blind en kennis tast het aan, wist ook Don Quichot als hem werd gevraagd naar een bewijs voor het bestaan van zijn aanbeden Dulcinea. 

Natuurlijk waren er ook die ‘voederbak’ domweg lelijker vonden dan ‘kribbe’ en verheven nu eenmaal beter vonden passen bij het Woord dan gewoon. De onttovering was te groot. Overigens is de vertaling ongelijk van kwaliteit. Boeken als Job en Prediker hadden misschien betere meelezers, maar de ongelijkheid zit al in het origineel. Iets heel goeds daagt uit tot iets heel goeds, een zes zal niet snel een tien worden. 

Het signaal is in al dit soort gevallen hetzelfde: aan verandering geen boodschap. Ook toen Gerard Koolschijn Oudgriekse lievelingen van hun negentiende-eeuwse projecties ontdeed en gangbare taal boven mooischrijverij verkoos, was er naast gejuich verontwaardiging. Onze bakermat van de beschaving leek ineens wel oosters! 

Móét een nieuwe vertaling bij klassiekers om de zoveel tijd, zeg om de vijftig jaar? Nee. Waarom zou een oorspronkelijke tekst minder snel verouderen dan een oorspronkelijke vertaling? De Duitse Don Quichot-vertaling (Cervantes Saavedra 1799-1801) van Ludwig Tieck was tot voor kort de enige leverbare. Omdat hij goed was. Omdat Tieck goed is. Omdat er geen betere voorhanden was. Hoe ook: verschillende vertalingen kunnen naast elkaar bestaan, al zal er altijd eentje bovendrijven. Het is weelde. Klassiekers zijn vrij van auteursrechten. Hou je niet in als je de kriebels krijgt. 

Het is behoudzucht om bij een nieuwe vertaling van een boek te spreken van ‘hertaling’. Een ‘hertaling’ is aan de orde als iets in dezelfde taal is aangepast, en dan dus niet alleen qua spelling of interpunctie. In alle andere gevallen is gewoon sprake van een vertaling, een nieuwe vertaling van iets wat eerder was vertaald. Je mag immers hopen dat die niet leunt op de oude, laat staan er een aftreksel van is. Een interessant geval is Martinus Nijhoff, die, mogelijk uit schroom, koos voor een wonderlijk hybride vorm om Hoofts Historiën toegankelijker te maken: hij wisselende samenvatting af met stukken oorspronkelijke tekst (Hooft 1947). Later, in 1960, kwam er toch een hertaling, van A.C. Niemeyer en F.J. Schmit (Hooft 1960). 

Hertalen is een schone zaak, zie hoe Jan Kuijper liederen van Hadewijch ‘herdichtte’ (Hadewijch 2010), maar op het hertalen van redelijk recent erfgoed valt wel wat af te dingen. Was het nodig Max Havelaar nu al onder handen te nemen, zoals Gijsbert van Es (Multatuli 2010) deed? En dan die verouderd geachte kinderboeken. Je kunt de stoof uit Pinkeltje halen omdat kinderen van nu niet meer weten wat een stoof is, maar kinderen weten zoveel niet. Hier speelt net zoiets als bij het gebruik van voetnoten omdat de lezer iets niet zou weten. De lezer weet zoveel niet, de context biedt meestal uitkomst en een roman is geen leerboek. Een voetnoot in een literaire tekst is akelig willekeurig en belerend. 

In De autonauten van de kosmosnelweg zette Julio Cortázar één wijsneuzige voetnoot. Hij schreef er tussen haken bij: “Noot van de vertaler, een kei in vogels” (Cortázar 1986: 272). Ik kan de grap waarderen, maar zouden er lezers zijn die echt denken dat hij van mij is? 

4. 

Don Quichot (1605/1615) is een van die oorspronkelijke boeken die zich als vertaling voordoen. Het zou gaan om een document dat in hoofdstuk 8, dat iconische over het gevecht met de windmolens, ineens stopt. Gelukkig hoort de bezorger op een markt iemand lachen en zijn vermoeden blijkt juist: het gelach betreft de rest van het document, op naam van de Arabische historicus Sidi Hamid Benengeli. Tegen betaling van een baal rozijnen komt er een Spaanse versie en die, aangevuld met kanttekeningen van de schimmige bezorger, vormt het boek. Al die ongein hoort bij Cervantes’ spel met de waarheid of liever de goedgelovigheid van zijn lezers (en personages). Het boek is zo relativerend en modern, dat het onder je ogen in wording lijkt. 

In Cervantes & co, in plaats van voetnoten (2000) doe ik verslag van de specifieke problemen waar ik als vertaler van deze anti-roman op stuitte. Een van de lastigste: hoe eer je je voorgangers? Sommige oplossingen hebben Van Dale gehaald, wat doe je met die erfenis? Zonder rücksichtslos te willen zijn: was iets verkeerd geïnterpreteerd of foutief overgenomen uit een andere vertaling, dan sneuvelde het. En zo ging de titel, de beroemde eerste zin en het bekendste epitheton van de Don op de schop. 

Bijna iedereen heeft het geslikt, maar niet altijd bewust. Zo prees een recensent mijn vertaling met vermelding van het epitheton ‘de ridder van de Droevige Figuur’, een taaie fout. Ik bloosde haast toen ik in de ondertiteling bij The Man Who Killed Don Quixote (2018) mijn ‘Droeve Gelaat’ tegenkwam, zoveel juister, maar minder mooi. U ziet dat niet; u ondergaat de kracht van het origineel; dat krijgt niemand stuk. 

5. 

Ik ben kennelijk een typische tweede (of derde of vierde) vertaler, of misschien ben ik gewoon dol op bepaalde klassiekers. Ook van Borges heb ik werk vertaald dat eerder was vertaald, bijvoorbeeld, samen met Maarten Steenmeijer, al zijn gedichten, from scratch natuurlijk. Een deel was al eens door Robert Lemm vertaald en wat niet kon uitblijven gebeurde: onze vertalingen werden vergeleken. In nrc oordeelde Marjoleine de Vos (23 september 2011) dat beide goed waren; ze hield van de vorige, aan de nieuwe zou ze wennen. 

Wat ze niet opmerkte was het enorme verschil. Bij ons is Borges een vormvaste speler of scepticus; bij Lemm rijmt hij niet en lijkt hij steeds uit op waarheid. 

De meeste mensen lezen wat ze willen zien, maar dat zal ons, diehard close-readers, niet zo makkelijk meer lukken. Wat dat betreft zijn we de argeloosheid voorbij. 

 

Bibliografie 

Baars, Joost. Binnenplaats. Amsterdam: Van Oorschot, 2017.

Boland, Hans. Hij kan me de bout hachelen met zijn vorstendommetje, over Anna Karenina en de kunst van het vertalen. Amsterdam: Pegasus, 2017.

Borges, Jorge Luis. Alle gedichten. Vertaald (met verantwoording) door Maarten Steenmeijer en Barber van de Pol. Amsterdam: De Bezige Bij, 2015.

Cervantes Saavedra, Miguel de. Don Quichot. Vertaald (met verantwoording) door Barber van de Pol. Amsterdam: Athenaeum Polak & Van Gennep, 1997.

Cervantes Saavedra, Miguel de. De geestrijke ridder Don Quichot van de Mancha. Vertaald door Johan Willem Frederik Werumeus Buning en Cornelis Frans Adolf van Dam. Amsterdam: Querido, 1941-1943. 

Cervantes Saavedra, Miguel de. Leben und Thaten des scharfsinnigen Edlen Don Quixote von la Mancha. Übersetzt von Ludwig Tieck. Berlin: Johann Friedrich Unger, 1799-1801. 

Cortázar, Julio & Carol Dunlop. De autonauten van de kosmosnelweg: of een tijdloze reis Parijs-Marseille. Vertaald door Barber van de Pol. Amsterdam: Meulenhoff, 1986. 

Hadewijch, Liefdesliederen. Vertaald door Jan Kuijper. Amsterdam: Athenaeum-Polak & Van Gennep, 2010. 

Hillenius, Dick. De hand van de slordige tuinman. Amsterdam: Van Oorschot, 1996.

Hooft, P.C. Nederlandse historiën in het kort. Samengesteld door Martinus Nijhoff. Amsterdam/Brussel: Elsevier, 1947

Hooft, P.C. Uit de Nederlandse Historiën van P.C. Hooft. Bijeengebracht en bewerkt door A.C. Niemeyer en F.J. Schmit. Amsterdam: Meulenhoff, 1960.

Melville, Herman. Moby Dick. Vertaald door Emy Giphart. Amsterdam: L.J. Veen’s Uitgeversmij N.V., [1961].

Melville, Herman. Moby DickVertaling (met verantwoording) door Barber van de Pol. Amsterdam: Athenaeum Polak & Van Gennep, 2008.

Multatuli. Max Havelaar: of de koffieveilingen van de Nederlandse Handelmaatschappij. Hertaald en bewerkt door Gijsbert van Es. [Rotterdam]: NRC Boeken, 2010.

Van Bruggen, Carry. Hedendaagsch fetischisme. Amsterdam: Querido, 1925. Tweede druk 1948, met een voorwoord van Annie Romein-Verschoor. Derde druk 1980, met hetzelfde voorwoord, maar nu onder de titel Hedendaags fetisjisme.

Van de Pol, Barber. Cervantes & coin plaats van voetnoten. Amsterdam: Querido, 2000. Aangevulde herdruk Amsterdam: Vertalers Vakschool, 2015.

Van de Pol, Barber. Mobydickiana, Slibreeks nr. 128. Middelburg: Stichting CBK Zeeland, 2009. Vos, Marjolein de. “Wij zijn de tijd.” NRC (23 september 2011). Te raadplegen via https://www.nrc.nl/nieuws/2011/09/23/wij-zijn-de-tijd-12036753-a960287.

 

Categorieen
Naslag
ELV publicaties
Labels
Alles verandert altijd. Perspectieven op literair vertalen
Hervertaling